Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Het vliegwiel ondernemerschap
door dr. J. Meijaard en A.M. Brand*
Eind maart maakte Minister Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie een lijst van veertig probleemwijken bekend. Samenwerking tussen verschillende ministeries zou effectief beleid op het gebied van werkgelegenheid, wonen, werken en integratie moeten opleveren, waarmee de probleemwijken zich ontwikkelen tot 'prachtwijken'. In deze context kan en moet nieuw en beter ondernemerschap een centrale rol spelen.
Het kabinet heeft zich in zijn regeerakkoord tot doel gesteld samen te werken aan groei, duurzaamheid, respect en solidariteit: werken aan een samenleving waarin oog is voor elkaar en waarin recht wordt gedaan aan ieders mogelijkheden en talenten. Een samenleving ook, waarin de overheid duidelijke grenzen stelt aan wat wel en wat niet kan, waarin de eigen kracht van de samenleving wordt benut en waarin creativiteit en eigen initiatief worden ondersteund. Een samenleving waarin mensen zich duurzaam met elkaar verbonden weten. De ambitie is dat mensen steeds meer vertrouwen in elkaar en vertrouwen in de toekomst krijgen doordat overheid en bedrijven in mensen investeren en mensen als bondgenoot tegemoet treden, vanuit het besef samen sterker staan.
Het kabinet wil (onder de noemer Sociale Samenhang) 'van probleemwijk naar prachtwijk'. Gemeenten, woningcorporaties, bedrijfsleven, politie, welzijnswerk en scholen werken samen met de rijksoverheid om de leefbaarheid in verschillende achterstandswijken structureel te verbeteren. Werkloosheid, het gebrek aan werkgelegenheid, schooluitval, éénzijdige bevolkingssamenstelling, verouderde huisvesting, verloederde openbare ruimte, drugsoverlast, criminaliteit en asociaal gedrag zijn hierbij punten van aandacht en verbetering. De kracht van deze wijken moet veel beter worden benut.
Deze doelstelling moet niet los worden gezien van de pijler Een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie. In die pijler wordt de Nederlandse beroepsbevolking door een intensievere samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschap en onderwijs meer gestimuleerd tot meer (innovatief) ondernemerschap. Hiertoe wil de overheid potentiële ondernemers meer ruimte bieden in zowel ruraal als urbaan gebied. Starters zullen meer ondersteuning ontvangen waarbij er bijzondere aandacht wordt geschonken aan ondernemers die in oude achterstandswijken willen starten. Ook via het onderwijs zal ondernemerschap worden gestimuleerd.
De kerngedachte hierbij is, dat ondernemerschap als vliegwiel kan optreden in het proces van sociale cohesie én van een beter werkende economie.
Ondernemerschap en etniciteit
In de periode 1999-2004 is het aantal ondernemers in Nederland toegenomen met 6% tot circa 987.000 ondernemers. In 2005 en 2006 zette deze groei stevig door. In 1999 was 11,5% van de ondernemers van allochtone afkomst. In 2004 is het aandeel allochtone ondernemers bijna 13%. Hierbij is vooral het aantal niet-westerse allochtone ondernemers toegenomen. Binnen deze groep is het overgrote deel van de ondernemers allochtoon van de eerste generatie.
Vooral in de steden waar de veertig probleemwijken zijn gesitueerd, is het aantal allochtone ondernemers sterk toegenomen. In de meeste steden zijn de allochtonen veruit de belangrijkste bron voor groei in het ondernemerschap. De belangrijkste sectoren waar het aantal bedrijven toeneemt zijn de zorg, het onderwijs en de bouw. Het aantal niet-westers allochtone ondernemers neemt hiernaast óók sterk toe in het onroerend goed en de overige dienstverlening. Opvallend is dat het aantal niet-westers allochtone ondernemers in de sectoren industrie, detailhandel en vervoer nog groeit, terwijl het aantal bedrijven met een autochtone ondernemer daar juist daalt.
De algemene trend is dat allochtoon en autochtoon ondernemerschap naar elkaar toegroeien, zeker in de grote steden en zeker onder de allochtonen van de tweede generatie. Ongeveer 40% van de niet-westers allochtone ondernemers is in één van de vier grote steden gevestigd. Bij de autochtone ondernemers is het aandeel slechts 9%. Niet-westers allochtone ondernemers van de eerste generatie zijn in de grote steden sterk geconcentreerd in achterstandswijken. Westers allochtone ondernemers van de eerste generatie zijn ook relatief veel in achterstandswijken gevestigd, maar in duidelijk mindere mate dan niet-westers allochtone ondernemers. In Amsterdam zijn de westerse allochtone ondernemers van de eerste generatie nagenoeg in dezelfde typen wijken gevestigd als de autochtone ondernemers. De westerse allochtone ondernemers van de tweede generatie onderscheiden zich qua type vestigingsplaats vrijwel niet van autochtone ondernemers. Niet-westerse allochtone ondernemers van de tweede generatie zijn in de grote steden daarentegen vaker in achterstandswijken gevestigd. Dit is echter wel in aanzienlijk mindere mate dan de eerste generatie niet-westerse allochtone ondernemers.
Knelpunten
Om de mogelijkheden van ondernemerschap ten volle te benutten, is het van belang dat het ondernemerschapsproces soepel verloopt. Er is veel concurrentie. Veel (allochtone) ondernemers starten een bedrijf met soortgelijke hoofdactiviteiten in dezelfde wijk of buurt. Gemeenten voeren een soepeler vestigingsbeleid waardoor ondernemingen zich eenvoudig in de nabijheid van concurrenten kunnen vestigen. Ook is er concurrentie van grote bedrijven die, deels incidenteel, deels structureel de mogelijkheid hebben producten of diensten goedkoper aan te bieden dan kleinere bedrijven.
Allochtone ondernemers ervaren meer knelpunten dan autochtone ondernemers. Er bestaat daarnaast een groot verschil binnen de groep allochtone ondernemers. De tweede generatie ondervindt veel minder hinder dan de eerste generatie. Dit komt doordat allochtone ondernemers van de tweede generatie meer zijn geïntegreerd. Toch blijven allochtone ondernemers van de tweede generatie nog meer knelpunten tegenkomen dan autochtone ondernemers. Allochtone ondernemers zijn vaak lager opgeleid dan autochtone ondernemers. Hierbij speelt de beheersing van taal een belangrijke rol, niet alleen vanuit de etnische achtergrond maar vooral ook vanwege de genoten opleiding. Allochtone ondernemers kunnen zich (hierdoor) dan vaak ook minder goed voorbereiden op het ondernemerschap (via bijvoorbeeld cursussen).
Het gemiddeld lagere opleidingsniveau van allochtone ondernemers werkt verder door in de voorbereiding. Lager opgeleide ondernemers hebben vaak meer moeite met het opstellen van een businessplan en zijn zich vaak minder bewust van de voordelen van een goede voorbereiding. Onvoorziene problemen in een vroeg stadium zijn dan het gevolg.
Een taalachterstand belemmert allochtone ondernemers in netwerkvorming met partijen die buiten de eigen taalgroep vallen. Allochtone ondernemers organiseren zich bovendien nauwelijks in ondernemingsnetwerken. Bij een gebrek aan (zakelijke) netwerken missen ondernemers belangrijke relevante informatie en kansen. Voor hulp kloppen allochtone ondernemers vaak aan bij contacten in de relationele sfeer terwijl ze voor advies van hogere kwaliteit beter elders terecht kunnen (overheid en adviseurs). Allochtone ondernemers zien vaak af van betaald advies. Gebrek aan adequate kennis werkt miscommunicaties in de hand.
Allochtone ondernemers van de eerste generatie ondervinden behalve een toegenomen concurrentie ook problemen bij het vinden van klanten. Deze problemen ontstaan vooral door slechte bereikbaarheid en een lokaal soms teruglopende markt. De toegankelijkheid en de mogelijkheid tot (betaalbaar) parkeren vormen vaak problemen. Wat betreft de veiligheid van de omgeving blijken (eerste generatie) allochtone ondernemers vaker hinder te ondervinden dan autochtone ondernemers. De hogere mate van overlast door criminaliteit kan verband hebben met het feit dat allochtone ondernemers vaker zijn gevestigd in wijken waar per definitie meer criminaliteit plaatsvindt. Naast de hinder omtrent veiligheid blijkt het vinden van nieuwe bedrijfsruimte een knelpunt te vormen voor allochtone ondernemers van de eerste generatie. Geschikte bedrijfruimte ontbreekt veelal. Ook blijken geschikte nieuwe bedrijfruimten voor allochtone ondernemers van de eerste generatie vaak onbetaalbaar.
Allochtone ondernemers ondervinden meer knelpunten in de communicatie met de overheid. Communicatieproblemen ontstaan vaak bij contact met de Belastingdienst en gemeenten. Problemen met wet- en regelgeving treden op door het tempo van de veranderingen daarin. Ook het aannemen en ontslaan van personeel leveren vaak knelpunten op in termen van kosten en regels. Zowel autochtone als allochtone ondernemers ondervinden knelpunten bij de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten en bij het doen van investeringen. Ook hierbij blijken allochtone ondernemers vaker problemen tegen te komen dan autochtone ondernemers. Het verkrijgen van kapitaal ten behoeve van investeringen blijkt een belangrijk knelpunt. De omvang en complexiteit van de vereiste boekhouding spelen hierbij een rol. Ook de verzekering van het bedrijf is een knelpunt. De ondernemers weten vaak niet goed hoe ze banken en verzekeraars het best kunnen benaderen en overtuigen.
Ondernemerschap en wijkeconomie
De overheid wil de leefbaarheid in Nederlandse achterstandswijken structureel verbeteren door negatieve aspecten zoals werkloosheid en het gebrek aan werkgelegenheid aan te pakken. Ondernemerschap biedt hierin een cruciale uitkomst.
Ondernemerschap zorgt voor werkgelegenheid. Niet alleen voor de ondernemer zelf, maar door groeiende ondernemingen ook voor werknemers. Bedrijvigheid maakt de wijk bovendien meer leefbaar. Er ontstaan er meer plaatsen waar wijkgenoten elkaar kunnen ontmoeten, bijdragen aan een verhoogde mate van sociale cohesie.
Ondernemers waarderen het wanneer ze actief betrokken zijn bij projecten ter verbetering van de omgeving van het bedrijf. Hier ligt een belangrijke kans die tot nu toe vaak is gemist. Juist van ondernemers kan een actieve opstelling ter verbetering van de wijkeconomie worden verwacht. Dat juist de ondernemers bereid zijn om zich in te zetten voor het ondernemingsklimaat in de wijk blijkt uit diverse recente projecten.
Ondernemerschap komt de wijkeconomie direct ten goede. De wijk biedt ook extra kansen. Kleine, jonge bedrijven genereren groei. Als aspirant-starters en jonge ondernemingen voor tips en trucs worden gekoppeld aan meer ervaren succesvolle ondernemers kan de ontwikkeling verder worden aangezwengeld. Het stimuleren van ondernemerschap kan de wijk in een opwaartse spiraal brengen. Ondernemerschap in de wijk schept kansen voor nieuw ondernemerschap. Juist de wisselwerking tussen de diverse vormen van bedrijvigheid maakt de wijk beter. Het gaat er dan echt om dat de mensen in de eigen wijk in de diverse elkaar versterkende sectoren actief kunnen zijn. De sleutel ligt hierbij in een goede aansluiting tussen ondernemers, aspirant-ondernemers, opleidingen, stagemogelijkheden, wijkorganisaties en de locale overheid. Ondernemers kunnen wanneer ze mondig mogen zijn een centrale rol spelen in de verbetering van de wijk. Ze moeten het vertrouwen en de verantwoordelijkheid krijgen zodat zij hun logische rol in dit proces kunnen waarmaken.
*Joris Meijaard is werkzaam als account manager ondernemerschap bij EIM bv. Anneloes Brand is werkzaam als stagiaire bij EIM bv.
Rapport:
Monitor nieuw ondernemerschap 2006, EIM, 2007
Bronnen:
Ministerie van Algemene Zaken (2007), Coalitieakkoord Tweede Kamerfracties van CDA, PvdA en ChristenUnie
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,104,300,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2013