Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
De ondernemende economie
ICT en globalisering hebben de wereld veranderd. Nederland moet zich meer specialiseren in de ontwikkeling en wereldwijde marketing van op nieuwe kennis gebaseerde goederen en diensten. Dit vraagt om ondernemerschap. Hoewel het aantal zelfstandige ondernemers in Nederland sterk is gegroeid, blijft het aantal oprichtingen van ambitieuze nieuwe bedrijven nog achter. Ook moeten gevestigde bedrijven en hun medewerkers meer ondernemerschap tonen. Het onderwijs kan een grote bijdrage leveren aan een verdere opleving van onze ondernemersgeest.
Door dr. A.R.M. Wennekers*
Een van de meest intrigerende verschijnselen in de moderne economie is de herontdekking van het ondernemerschap. Nog maar dertig à veertig jaar geleden leken uitsluitend de zeer grote, veelal beursgenoteerde ondernemingen de sleutel tot welvaartsgroei en banencreatie te zijn geworden. Dit was het hoogtepunt van de 'managementeconomie'. Zelfstandige ondernemers vormden ogenschijnlijk een uitstervend ras. Het kan echter verkeren, en sindsdien heeft ondernemerschap een comeback doorgemaakt. Deze trendbreuk in een eeuwenlange daling van het aantal zelfstandige ondernemers is niet toevallig, maar weerspiegelt structurele veranderingen in de wereldeconomie. Deze veranderingen zijn vooral het gevolg van de ICT-revolutie en de daarmee gepaard gaande globalisering. Hierdoor verliezen de economisch meest ontwikkelde landen, waaronder Nederland, hun concurrentievoordelen in traditionele bedrijfstakken. Oude zekerheden zijn vervangen door nieuwe onzekerheden, bijvoorbeeld over de toepasbaarheid van nieuwe kennis.
Nederland moet zich meer specialiseren in de ontwikkeling en wereldwijde marketing van nieuwe goederen en diensten. Daarvoor is ondernemerschap nodig om ideeën uit te proberen en de ermee verbonden risico’s te dragen. Grote bedrijven en kennisinstellingen zijn lang niet altijd in staat om zelf de marktkansen te benutten die voortvloeien uit hun research. Dit komt door onzekerheden over de economische waarde van nieuwe kennis, en door informatieasymmetrie en belangentegenstellingen tussen de kenniswerkers en het management van grote organisaties. Er zijn daarom bedrijfsoprichtingen nodig om de uit nieuwe kennis voortvloeiende marktkansen te verzilveren. Dit betreft niet alleen nieuwe ondernemingen die radicale innovaties introduceren. Vaak gaat het om slimme toepassingen van al bekende technologie. Ook minder ambitieuze nieuwe bedrijven zijn van belang. Als ze gebruik maken van nieuwe technologie dragen ze bij aan een snellere diffusie daarvan. Ook bevorderen nieuwe bedrijven de concurrentiedruk en dragen ze bij aan een ondernemende cultuur. Nieuwe ondernemers kunnen een rolmodel zijn voor anderen die de stap nog niet gezet hebben. Ten slotte wordt ook ondernemend gedrag verwacht van medewerkers bij gevestigde bedrijven.
De opkomst van deze 'ondernemende economie' hangt in hoogontwikkelde economieën ook samen met het bereikte welvaartsniveau. Door de groei van de dienstensector en een differentiatie van de consumentenvraag is er meer ruimte voor kleine bedrijven. Niettemin maken niet alle rijke landen even goed gebruik van de geboden kansen. Continentaal Europa loopt hierin achter bij de Angelsaksische landen. Beleidsmakers zijn zich dit bewust. In maart 2000 formuleerden de Europese regeringsleiders in Lissabon de doelstelling, dat de Europese Unie in 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld zou moeten zijn. Het is echter twijfelachtig of dit ambitieuze doel gerealiseerd zal worden. Ook Nederland, dat een economische toppositie binnen Europa ambieert, moet nog veel werk verzetten.
Hoe staat Nederland er anno 2006 economisch voor?
De macro-economische fundering van de Nederlandse economie is solide. Instituties als het bankwezen, het pensioenstelsel en het onderwijs zijn van goede kwaliteit. Onze universiteiten staan internationaal hoog aangeschreven, en er zijn binnen de werkzame bevolking relatief veel hoogopgeleide werkenden in wetenschap en technologie. De kwaliteit van de ICT-infrastructuur is goed. Ook zijn de internationale oriëntatie van de Nederlandse bevolking, onze 'gateway to Europe' en de openheid van onze economie absolute pluspunten. Ten slotte is de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in Nederland van oudsher hoog.
Ook onze economische prestaties zijn niet slecht. Het tempo van economische groei is vergelijkbaar met het gemiddelde van de OESO-landen, en de werkloosheid is in Nederland relatief laag. De signalen over het toekomstig groeipotentieel zijn echter minder goed. De R&D-uitgaven in Nederland zijn internationaal vergeleken bescheiden. En de groei van de arbeidsproductiviteit blijft al zeker 15 jaar achter bij die in het OESO-gebied als geheel. Onze internationale concurrentiepositie is daarmee sterk afhankelijk van loonmatiging, een strategie die ons op langere termijn geen toegangskaartje tot de ondernemende economie op zal leveren. Hiermee raken we de kern van het probleem. Voor een land dat economisch aan de top wil staan vertoont Nederland te weinig vernieuwend en ambitieus ondernemerschap.
Hoewel de waardering voor ondernemerschap sterk is toegenomen, zijn in Nederland toch relatief weinigen van plan om binnen een aantal jaren voor zichzelf te beginnen. Dit blijkt telkens weer uit enquêtes, zoals de Global Entrepreneurship Monitor (GEM). Ook zijn hier internationaal vergeleken relatief weinigen actief bezig met het opzetten van een nieuw bedrijf. Hoewel velen van deze zogenoemde 'nascent entrepreneurs' hun bedrijf nooit op de rails zullen krijgen, zijn zij wel een graadmeter voor de ondernemingslust in een land. Maar ook als we kijken naar het aantal geregistreerde bedrijfsoprichtingen scoort Nederland hooguit gemiddeld. Het goede nieuws dat het aantal nieuwe bedrijven de laatste 20 jaar fors is gestegen, laat achteraf ook zien hoe ver het ondernemerschap in Nederland was weggezakt.
Ons land loopt ook niet voorop wat betreft het aantal 'spin-outs' van kennisinstellingen. Internationaal vergeleken komen er weinig nieuwe bedrijven voort uit de Nederlandse universiteiten. Nader onderzoek is nodig om uit te maken in hoeverre dit een kwestie is van de cultuur binnen kennisinstellingen, van 'spelregels' of van inadequate faciliteiten. Ook telt Nederland relatief weinig snel groeiende ondernemingen. Bedrijfsgroei is vaak gebaseerd op de commercialisering van een goed idee, en niet per se op technologische innovatie. Uit casestudies blijkt dat snelle bedrijfsgroei zelden uit de lucht komt vallen. De ondernemers van zulke bedrijven hebben meestal een sterke ambitie om te groeien. Het kunnen aantrekken van risicodragend kapitaal is een belangrijke voorwaarde. Vaak worden de financiers gevonden in het zakelijke of sociale netwerk van de nieuwe ondernemers. Volgens de GEM zijn er in Nederland echter relatief weinig 'informele investeerders' die geld steken in nieuwe kleine bedrijven. Ook rapporteert het CBS een neerwaartse trend in het geïnvesteerd durfkapitaal voor niet-beursgenoteerde ondernemingen. Met name wordt er in Nederland weinig durfkapitaal beschikbaar gesteld voor de aanloop en opstart van nieuwe bedrijvigheid. Ten slotte is een tekort aan geschikt personeel een veelgenoemd knelpunt voor het realiseren van groei.
Mijn conclusie is dat Nederland de door de ondernemende economie geboden kansen nog slechts gedeeltelijk weet te benutten. Hierdoor boet Nederland in aan economisch groeipotentieel.
De rol van cultuur en instituties
Wat weerhoudt goed opgeleide, succesvolle werknemers van grote organisaties om een eigen onderneming op te zetten of bij een snelgroeiend klein bedrijf te gaan werken? Een van de oorzaken ligt mijns inziens in de tijdens de naoorlogse periode opgebouwde instituties van de verzorgingsstaat, die zich maar langzaam laten hervormen. Vele van deze instituties, zoals de WW en bedrijfspensioenen, zijn eenzijdig gericht op werknemers. Dit geldt ook voor de regulering van de arbeidsmarkt. Als je in Nederland een vaste baan hebt, met de daarbij behorende secundaire arbeidsvoorwaarden en rechtspositie, moet je heel wat opgeven om ondernemer te worden. Uit onderzoek weten we dat deze 'opportunity costs' van het zelfstandig ondernemen een negatieve invloed hebben op nieuwe bedrijvigheid. Deze instituties hebben, wellicht onbedoeld, een 'werknemerscultuur' bevorderd. Daarbij zitten vele energieke en hoogopgeleide werknemers vastgeklonken in carrièrepaden bij grote organisaties. Dit belemmert ook een eventuele overstap naar een nieuwe baan in het MKB. Hierdoor hebben jonge ondernemingen met groeiambitie grote problemen om geschikte medewerkers te vinden die verantwoordelijkheid kunnen dragen. Voorts is de regeldruk rond ondernemen in Nederland erg hoog. Wij willen met de beste bedoelingen vele zaken goed regelen in dit land, maar dat kan belemmerend zijn voor zowel nieuwe bedrijfsoprichtingen als de doorgroei van jonge bedrijven. Tenslotte wordt in Nederland falen vooral negatief beleefd, en niet gezien als een leerervaring, terwijl ondernemerschap onvermijdelijk ook mislukkingen met zich meebrengt.

Cultuur en instituties worden bestendigd door ons onderwijs, dat tot voor kort weinig aandacht gaf aan MKB en ondernemerschap. Decennialangis een jegens ondernemerschap onwetende en weinig positieve attitude overgedragen op de leerlingen. Dit werkt niet alleen door in hun beroepskeuze, maar ook in hun beroepsuitoefening als bijvoorbeeld leraar of beleidsmaker. Zo versterken cultuur en instituties elkaar over en weer. Hoewel er inmiddels positieve ontwikkelingen gaande zijn, behoren ook anno 2006 kennisverwerving over ondernemerschap en de ontwikkeling van ondernemende eigenschappen nog nauwelijks tot het regulier curriculum.
Wat te doen?
Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd Nederland door een zware recessie ruw wakkergeschud uit de Keynesiaanse droom. Sindsdien loopt een versterking van de aanbodzijde van onze economie als een rode draad door het beleid van achtereenvolgende kabinetten met uiteenlopende politieke samenstelling. Bevordering van ondernemerschap is een onderdeel van dit beleid. Er is al heel wat bereikt.Zo is het aantal zelfstandige ondernemers sinds 1985 bijna verdubbeld. Het glas is half vol, maar er is nog een lange weg te gaan naar een 'Ondernemende Samenleving'.
Nu bestaat er geen 'magische knop' waarop het beleid kan drukken. Het is geen kwestie van meer subsidies voor starters en groeiende bedrijven. Uiteindelijk moet ondernemerschap bijna per definitie spontaan uit de samenleving voortkomen. Wel moet de overheid zorgen dat de voorwaarden voor ondernemerschap goed zijn, en zorgdragen dat er van onze instituties geen verstorende invloeden uitgaan op de beroepskeuzes van studenten en werkenden. Er is aanleiding om de diverse institutionele arrangementen opnieuw te doordenken op hun effect voor het ondernemerschap. Hoe kan een andere inrichting van bijvoorbeeld pensioenstelsel en sociale zekerheid, met behoud van adequate vangnetten, potentiële ondernemers bevrijden uit de 'gouden ketenen' van de vaste baan en de uitgestippelde carrière? En hoe kan dit belemmeringen bij jonge, kleine bedrijven wegnemen om personeel in dienst te nemen?
Ookonderwijsvernieuwing kan een belangrijke bijdrage leveren. De ondernemende economie is tevens een kenniseconomie, en investeringen in met name het hoger onderwijs zullen ook het ondernemerschap bevorderen. Onderwijs is ook belangrijk voor cultuuroverdracht en heeft mede tot doel om de toekomstige beroepsbeoefenaren toe te rusten met kwaliteiten die van belang zijn in het latere werk. De ondernemende economie vraagt om ambitie, creativiteit, eigen verantwoordelijkheid, initiatief en een positieve risicohouding. Dit wordt niet alleen gevraagd van ondernemers, maar ook van medewerkers in loondienst. Gelukkig zijn er interessante experimenten met ondernemerschapsonderwijs gaande, en staan we blijkens de rijksbegroting aan de vooravond van meer systematische initiatieven. Het uiteindelijke doel hiervan zou moeten zijn dat het bijbrengen van kennis over ondernemerschap en het ontwikkelen van ondernemende vaardigheden structureel deel uitmaken van de lesmaterialen en lesmethodes. Dit kan in alle schooltypes, te beginnen bij het basisonderwijs. Om de vicieuze cirkel te doorbreken moet met name ook in de lerarenopleidingen aandacht aan ondernemerschap worden besteed.
Demografische uitdagingen
De komende jaren zal Nederland ook aan demografische uitdagingen het hoofd moeten bieden. Er is de problematiek van de vergrijzing, en ook de beroepsbevolking verandert van leeftijdssamenstelling. Nu is de participatie in nieuw ondernemerschap verreweg het hoogst binnen de bevolkingsgroepen tussen de 25 en de 45 jaar. Mensen boven de 45 en zeker boven de 55 jaar richten veel minder vaak een eigen bedrijf op. Juist het aandeel van de leeftijdsgroep 25-45 zal de komende jaren echter (verder) afnemen ten gevolge van de sterke daling van het geboortecijfer in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het aandeel van de groep 45-65 jaar zal nog iets oplopen. Om dit samenstellingseffect te compenseren is een stijging van de deelname aan bedrijfsoprichtingen in alle leeftijdsgroepen noodzakelijk. Met name de groep 45-55 jaar is potentieel zeer interessant. Werknemers in deze leeftijdscategorie beschikken vaak over troeven die een succesvol eigen bedrijf binnen bereik kunnen brengen, zoals startkapitaal, relevante werkervaring en een zakelijk netwerk. Ze hebben misschien alleen minder vaak de ambitie om bedrijfsgroei te gaan realiseren. Dit geldt temeer voor de groep 55-plussers, maar deze groep kan ook actief zijn als 'informal investor' voor nieuwe bedrijven van jongere ondernemers.
De doelstelling om een meer ondernemende economie te worden behelst dus ook uitdaging om het ondernemerschap van een ouder wordende en krimpende beroepsbevolking specifiek te bevorderen. Tevens kan het een reden zijn om de immigratie van hoogopgeleiden in het algemeen en van ondernemers in het bijzonder, niet alleen te vergemakkelijken maar ook te stimuleren.
Een Zilveren Eeuw?
De economische successen van Nederland volgen 'ups en downs'. Zoals bekend beleefde ons land in de 17e eeuw een 'Gouden Eeuw'. De Zeven Verenigde Nederlanden waren rijk in vergelijking met de rest van Europa, ze boden een intellectuele vrijhaven, en ze waren zeer ondernemend. Al zijn er geen statistieken over, er zijn tal van aanwijzingen voor veelvuldig ondernemerschap, als gedrag en als beroep. Ik doel hier niet alleen op het opzetten van compagnieën voor internationale handel, maar ook op de binnenlandse bedrijvigheid in landbouw, visserij en nijverheid. En op de vele innovaties die eruit voortkwamen. Dit ondernemerschap kwam niet uit de lucht vallen. De maatschappelijke voorwaarden waren gunstig voor zelfstandig ondernemen. Wetenschap en technologie bloeiden in Nederland en boden mogelijkheden voor vele innovaties, zoals nieuwe scheepstypes, precisie-instrumenten en verhandelbare aandelen. Een hoge urbanisatiegraad bevorderde toegankelijke markten. De immigratie van ondernemers uit de Zuidelijke Nederlanden vergrootte het menselijk en sociaal kapitaal. En ook de instituties (zoals privé-eigendom en het ontbreken van een sterke feodale traditie) waren bevorderlijk voor ondernemerschap.
Na een plus komt vaak een min. In de loop van de 18e eeuw voltrok zich een geleidelijke neergang. In de 19e eeuw stond dit bekend als de 'Jan Saliegeest'. Het duurde tot ver in de tweede helft van die eeuw tot de ondernemersgeest weer over ons land vaardig werd. Maar tijdens de toenmalige (tweede) industriële revolutie was er in Nederland zeker sprake van grote dynamiek. Verschillende nu nog bestaande grote Nederlandse ondernemingen (zoals Philips en Royal Dutch Shell) zijn in de decennia voor het 'fin de siècle' opgericht. Inmiddels biedt een derde industriële revolutie nieuwe kansen. We zijn er nog niet, maar de sterke groei van het aantal starters en vele aansprekende voorbeelden van succesvolle nieuwe bedrijven zijn reden tot optimisme. Nederland heeft ten minste tweemaal eerder laten zien in staat te zijn tot grote vitaliteit. En al was de 'Gouden Eeuw' uniek, en komt deze dus nooit meer terug, een nieuwe economische bloeitijd moet haalbaar zijn. Laat de komende grijze eeuw ten minste een 'Zilveren Eeuw' worden!
Bronnen
De feitelijke basis van dit essay wordt met name gevormd door de vele publicaties van het Programmaonderzoek MKB en Ondernemerschap (zie www.eim.net). Daarnaast is onder meer gebruik gemaakt van CBS, Het Nederlandse Ondernemingsklimaat in Cijfers 2006.
*Sander Wennekers is verbonden aan EIM, waar hij leiding geeft aan het Programmaonderzoek MKB en Ondernemerschap. Hij is onlangs aan de Erasmus Universiteit Rotterdam gepromoveerd op 'Entrepreneurship at Country Level; Economic and Non-Economic Determinants'.
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,106,318,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2012