Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Het echte werk
Door dr. H. M. Post*
“Als we niets doen zitten straks veel jongeren met hun laptop in de gamingindustrie geld te verdienen, dat is prachtig, maar wat moeten we zonder loodgieters, technici, momteurs of tuinlieden.? Er moet een cultuuromslag komen. De ellende begint al bij de Cito-toets waar slechts cognitie beoordeeld wordt. Het boven alles stellen van het cognitieve is te zeer een heilig huis in Nederland. Verzin een alternatief.”
Deze uitspraak van Kees Hoogendijk, de man die portefeuille onderwijs van de werkgeversorganisatie MKB Nederland beheert, is niet beschuldigend maar koel beschrijvend. En alternatieven verzint hij wel. Zijn betoog is strijdlustig en reëel.
“OCW heeft maatregelen afgekondigd: een jongere moet straks tot zijn drieëntwintigste leren of werken. Andere smaken zijn er niet. Het grote obstakel is echter, hoe krijgen we het voor elkaar dat een jongere er niet zijn neus voor ophaalt om een vak te leren. De animo is niet beduidend groot. Jongeren van allochtone afkomst bijvoorbeeld kiezen voor het merendeel een carrière in administratieve richting.
Als er straks nog mensen voor hun drieëntwintigste in een uitkering zitten en we moeten geschoolde vaklieden van elders uit Europa halen, dan kunnen we niet anders dan constateren dat we iets totaal mis hebben gedaan in Nederland.”

Niet lijdzaam afwachten
De economie trekt aan en er komen steeds meer vacatures. Het arbeidsvolume van het midden en klein bedrijf bestaat voor meer dan achttien procent uit ouderen, vaklieden met een schat aan ervaring. Men vreest dat de uitstroom, het gevolg van de vergrijzing, onvoldoende gecompenseerd kan worden door goed opgeleide jongeren uit het beroepsonderwijs.
“We hebben voorspeld dat met deze werkgelegenheidsgroei het aantal vacatures voor fulltime medewerkers in het mkb zou oplopen tot meer dan 93.000 waarvan de helft moeilijk vervulbaar. Dat is nu inderdaad aan de orde en dat is een ramp. Er is niet slechts een kwantitatief tekort maar ook een kwalitatief tekort omdat er een stijgende behoefte blijkt aan mensen met een hogere opleiding. Hogere opleiding wil dan zeggen mbo niveau 3 en 4 en hbo. Waar vroeger vmbo'ers werden aangenomen, kiest de helft van de bedrijven nu voor mbo'ers, die op hun beurt steeds vaker worden verdrongen door hbo'ers. De uitstroom van oudere vaklieden is niet tegen te houden, toch moeten we niet lijdzaam afwachten maar zorgen voor een gekwalificeerde instroom.
Het is een gegeven dat er relatief weinig jongeren zijn die een vak willen leren. Velen zijn gewend om in een sophisticated omgeving leuke dingen te doen. Ze willen liever iets met computers doen of met een auto door Nederland rijden dan werken in de bouw, techniek of zorg. Ik durf het niet te zeggen maar doe het toch: de jeugd haalt de schouders op voor zulk werk, en de ook ouders vinden dat het geen status heeft. Vakmanschap heeft een negatief imago. Het gevolg is dat we de vakmensen uit Oost-Europa moeten halen. Terwijl, wanneer je een vak leert en het beheerst, de toekomst gewaarborgd is, je een uitstekend salaris verdient en je ondernemer kunt worden.”
Kundigheden die worden afgeleerd
“Veel leerlingen maken het vmbo af en stromen dan door naar het mbo maar vallen daar uit omdat ze er in het eerste jaar achter komen dat ze het verkeerde vak gekozen hebben. De aansluiting tussen vmbo en mbo is vaak niet goed, de drempel blijkt te hoog. Ik pleit ervoor om in het vmbo een betere beroepskeuze voorlichting te geven. Het is effectief jonge mensen aan te spreken op de kwaliteiten die ze wel hebben en op wat ze kunnen. Als we erin slagen voor de dreigende uitvallers een goed leerbedrijf te vinden, zie je dat de leerlingen opleven, dat de ouders blij zijn. Als je ziet hoe sommige leerlingen in hun vrije tijd creatief zaken voor elkaar krijgen, bijvoorbeeld een party organiseren waarbij werkelijk aan alles gedacht is terwijl ze op school niet mee kunnen komen, dan besluipt je soms de gedachte dat er op school ook kundigheden juist worden afgeleerd.
Het is nodig dat de prestaties in het beroepsonderwijs beter worden. De inzetbaarheid en scholing van werkenden moet omhoog, en de scholing van niet-werkenden moet worden geïntensiveerd. De ondernemers in het mkb staan zeer positief tegenover de effectiviteit en het rendement van scholing. Beroepsonderwijs speelt een grote rol. Vier op de tien ondernemers wil leerlingen wel zelf opleiden.”
One step up
“Scholen mogen in principe zelf weten hoe ze hun middelen inzetten. Wanneer personeelskosten geflexibiseerd worden, kan men twee vliegen in één klap slaan. De oudere vaklieden die versleten zijn en toch langer willen werken zouden in het onderwijs leraren en leerlingen kunnen trainen in hun vak en hun de liefde daarvoor bijbrengen. Flexibilisering van personeelskosten houdt in dat een uitstromende leerkracht niet direct vervangen wordt en er dus middelen zijn om mensen uit het bedrijfsleven in te zetten tegen een reële vergoeding, zodat het niet meer plaats vindt in de sfeer liefdewerk oud papier. Met scholen en kenniscentra heeft het mkb een convenant gesloten om projecten te initiëren waarin leermeesters die nu een leerling begeleiden en opleiden in de praktijk ook bij het onderwijs betrokken worden. Samen met een docent kan zo iemand bijvoorbeeld het competentiegericht leren vormgeven. Competenties leer je in context, in de beroepspraktijk. De kenniscomponent, de vaktechniek en theorie mag echter niet ondersneeuwen, de slinger mag niet doorslaan. Het initiatief heeft de naam ‘de praktijkleraar”. Het is een effectieve stap in het samenbrengen van professionals uit de verschillende werelden van onderwijs en bedrijfsleven.
De hoeveelheid laaggeschoold werk, waar vmbo’ers en mbo’ers aan de slag kunnen, blijft constant, daar zit geen exponentiële groei in. De groep die we daarop in moeten zetten wordt wel steeds groter mede vanwege het grote aantal schooluitvallers. Het aanbod van werkers voor het laaggeschoold werk is te groot terwijl aan de vraag naar hoger opgeleiden niet voldaan kan worden: daar is het aanknopingspunt voor de ‘one-step-up’ trajecten. De gedachte daarachter is: wanneer het onderwijs de hoger opgeleiden die nodig zijn niet kan leveren dan leiden we de mensen zelf op. Een manier om de competenties van je personeel te vergroten is het aanbieden van duale trajecten. Op het moment dat mensen aan het werk gaan, begint het leren. We geven personen die twee of drie jaar in een bedrijf werken een assessment en stellen vast wat ze hebben bijgeleerd. Die verworven competenties kunnen worden vertaald in vrijstellingen wanneer ze weer terug naar school gaan. De leerlingen blijven in dienst van het bedrijf dat hen inschrijft voor het resterende deel van de opleiding. Het aardige is dat je een werknemer beloont voor hetgeen hij in het bedrijf heeft geleerd met vrijstelling voor een halve opleiding. Een bedrijf raakt zijn leerlingen niet kwijt en een werknemer kan met modules een stap verder komen. Deze werknemers in het bedrijf gaan een stap hoger en lager opgeleiden kunnen vervolgens weer instromen. In Nederland zijn achttien kenniscentra die de taak hebben het praktijkleren te stimuleren. De branches van het bedrijfsleven zijn in de besturen van deze kenniscentra vertegenwoordigd. Met de kenniscentra worden de one-step-up trajecten georganiseerd.”
Kennismanagement
“Het gaat niet alleen om kwaliteit en kwantiteit, het gaat ook om kennis, uit de bedrijfstakken stroomt straks het vakmanschap weg. Een deel van de bedrijven is zich niet bewust van het dreigend gevaar en doet nog te weinig. Mijn pleidooi is, ondernemers doe aan kennismanagement en doe het nu. Laat de oudere werknemers hun kennis en vaardigheden aan de jongere overbrengen. Natuurlijk moeten de instromers voldoende gekwalificeerd zijn om de kennis op te pakken. Ook hiervoor zijn de one step up trajecten nuttig.
De bouw, die grote problemen voorziet is bezig met een loopbaantraject, verankerd in de cao. De bouw wil zijn werknemers op een hoger niveau te brengen en gaat daarom als sociale partner aan de slag om het in de sector te organiseren. Mensen in bouw kunnen vaak niet tot hun vijfenzestigste het zware werk blijven doen. De verschillende sectoren vroegen of de one step up trajecten behalve bijscholing ook omscholing kunnen inhouden. Het antwoord is dat een werknemer aan zijn competenties kan werken voor one step aside.
De metaalsector is op regionaal niveau begonnen opleidingsbedrijven metaal te ontwikkelen. De sector werkt samen met de ROC’s, die voor de theoriecomponent mensen kunnen leveren. Op die manier is er een infrastructuur voor de one step up trajecten. Het zijn duale opleidingen die door de overheid erkend zijn, vooral gericht op mbo niveau. Enkele andere sectoren hadden al een dergelijke infrastructuur.
De bedrijfstakken doen dus veel. Het bedrijfsleven stelt voldoende leerplaatsen ter beschikking. De vraag is nu, hoe krijgen we de jongeren gemotiveerd. Moeten we niet toe naar bindende studieadviezen? Moeten we niet leerlingen die diploma’s halen in de bouw, metaal of zorg belonen?”
Cri de coeur
Hoogendijk besluit met een ‘cri de coeur’. “De extensivering van het onderwijs neemt toe, het huidige beroepsonderwijs verplaatst zich meer en meer naar het bedrijfsleven. Er moet in Nederland een discussie komen over ‘overvragen we het bedrijfsleven niet?’ Ook hier moet de slinger niet doorslaan. Driekwart van de opleiding in het kader van het leerbanenplan wordt nu betaald door het bedrijf en die kosten zijn hoog, gemiddeld 10.000 euro per opleiding. Ondernemers willen graag leerlingen opleiden maar klagen dat het gedoe erom heen zo toeneemt. Veel vergaderingen, regelgeving en veel administratieve lasten. Eén ondernemer liet me zien hoe hij voor de school een leerling moest beoordelen. Hij had daartoe een boek van zestig pagina’s met vanaf pagina één takenscores van 10-100, moest dat optellen naar een verzamelstaat overhevelen, en dan weer naar een verzamelstaat en uiteindelijk naar een verzamelstaat die het eindcijfer genereert. De administratieve lasten van wet- en regelgeving zijn terug gebracht, maar de eisen die de scholen verzinnen waaraan een ondernemer moet voldoen groeien intussen exponentieel. Als we het bedrijfsleven overvragen, schieten we in onze voet.”
*Hedda Maria Post is redacteur van Basis
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,106,321,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2012