Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Tussen ethiek en commercie: Burger, media en politiek
door dr. H.M.Post en dr. J.S.Schmidt*
"De politiek klaagt in het kielzog van Bourdieu over de kortademigheid, oppervlakkigheid en sensatiezucht van de media, die nog slechts uit zijn op persoonlijke conflicten en voor wie inhoudelijkheid, volledigheid en neutraliteit volkomen achterhaalde begrippen lijken te zijn. De journalistiek slaat terug met verwijten over achterkamertjespolitiek, wijdlopigheid, boot afhouden en bureaucratie. De burgers hebben na Srebrenica, Irak, bouwfraudes, Betuwelijn en de moorden op Fortuyn en Van Gogh geen hoge pet meer op van het vermogen van de politiek om grote zaken goed te regelen. Ze vinden de media vaak saai en eenzijdig. Journaals en de actualiteitenrubrieken, Den Haag en het Binnenhof, het is voor veel kijkers allemaal één pot nat. Omgekeerd hebben politiek en journalistiek een lage dunk van kiezers en publiek. Het gros van de mensen is sensatiebelust, ongeïnteresseerd en onmondig en manifesteert zich steeds meer als consument en steeds minder als burger."
Wederzijds wantrouwen kenmerkt de huidige verhouding tussen burgers, politici en media. Dat constateert Jan Haasbroek in zijn essay"Samen op drift" in BASIS 1 2005. In het debat vervolgt hij zijn onderzoek. Welke rol speelt de opkomst van het populisme? Wat is de samenhang daarvan met de commercialisering van de media? Kan een journalist nog onafhankelijk zijn? In gesprek met filosofen, journalisten en wetenschappers verkent hij de mogelijke oorzaken van een gespannen relatie.
Deelnemers zijn:
Jan Haasbroek, Voorzitter
Drs. Bart Dekker, Research voor Beleid
Mw. dr. Th.A.M. Graas, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Mr. Maarten Huygen, NRC Handelsblad
Prof. dr. A.A.M. Kinneging, Universiteit Leiden
Dr. L.E.M. Klinkers, Klinkers Public Policy Research
Thomas Lepeltak, voorheen Stan Huygens
Dr. Luuk van Middelaar, VVD
Mw. dr. B.E.C. Plesch, Alons & Partners Consultancy
Prof. dr. F.P.I.M. van Vree, Universiteit van Amsterdam
Algemeen Belang
Haasbroek: Ten diepste zijn journalisten en politici elkaars tegenstanders...
Middelaar: Een goed politicus maakt een journalist niet tot tegenstander.
Van Vree: Ze zijn geen tegenstanders maar tegenpolen. Als politici en journalisten opkomen voor het algemeen belang dan kunnen ze dezelfde zaak dienen.
Huygen: De slager dient dan dezelfde zaak als de politicus, hij dient het algemeen belang door vlees te verkopen. Dit is een civil-society redenering in die zin dat iedereen de medestander is van iedereen. Maar een journalist dient argwanend te zijn ten opzichte van politici, ook ten opzichte van de slager trouwens.
Haasbroek: Moeten journalisten de cohesie in de samenleving bevorderen? Of hoef je als journalist, als de samenleving naar de verdoemenis gaat, slechts op te schrijven hoe dat proces zich voltrekt?
Klinkers: In het interpreteren van het geregistreerde ben je medeverantwoordelijk voor het bijeenhouden van de samenleving.
Graas: Het is toch niet zo dat de staat twee hoeders heeft, de politiek en de media? Waarom moeten de media, en niet de bakker en de slager, de sociale samenhang bevorderen of de Nederlandse samenleving redden?
Plesch: In de eerste plaats gaat het toch om weer te geven wat er is. Als er geen cohesie is mag dat voor het voetlicht komen. Schrik daarvan kan dan misschien weer tot cohesie leiden.
Huygen: In de huidige beginselen van het NRC staat verantwoordelijkheid voor cohesie expliciet niet vermeld. Ze propageren wantrouwen tegen iedere vorm van collectiviteit.
Van Vree: In de klassieke conceptie van journalistiek werd de opdracht van de journalistiek geformuleerd als het bevorderen van het algemeen belang. Dat staat ook in de statuten van het NRC uit 1884. Het klassieke ideaal heeft in de jaren 1970/80 zijn hoogtij gehad. In de jaren negentig is er een repertoire bij gekomen, het repertoire dat sterk aan de commerciële belangen van het publiek tegemoetkomt.
Lepeltak: De geschiedenis van het dagbladwezen laat zien dat kranten ontstaan zijn als commerciële organisaties, namelijk om handelsinformatie, berichten over mislukte oogsten en hongersnoden, door te geven. Dit groeide pas later uit tot meer algemene berichtgeving. En wat betreft het Algemeen Belang, in Artikel 2 van de Telegraaf staat dat de krant niet gebonden is aan enige politieke, maatschappelijke of kerkelijke richting, doch uitsluitend het landsbelang dient. Wat dat dan ook moge zijn.
Van Vree: Eigenlijk is het algemeen belang een fictie, maar als je deze illusie opgeeft word je een cynicus. Probleem is de tendens in onze maatschappij van vereenzelviging van het algemeen belang met consumentenbelang. Daardoor verschuift ook voor de journalistiek wat algemeen belang is.
Een innige omhelzing
Lepeltak: Ik vind dat de parlementaire journalistiek te dicht bij de politiek zit. Het is een inteeltclub, ze spreken elkaar aan bij de voornaam en wat er besproken wordt mag niet gepubliceerd worden.
Middelaar: Je kunt inderdaad vaststellen dat het een omhelzing is waar beide in stikken maar waaraan ze zich niet kunnen onttrekken. Politici moeten contact hebben met journalisten, willen ze de zaken op een juiste manier in de media krijgen Ze kunnen niet uit het nieuws verdwijnen. Ook de journalist kan zich niet losmaken, hij leeft van de verhalen, van de scoop, van de dingen die hij eerder weet dan anderen.
Graas: Als we uitgaan van de driehoek burger, politiek en media, wat is dan de intentie van die innige omhelzing? Is het om de burger te informeren? Als het echt de bedoeling is dit hoger belang te dienen zou ik zeggen: die omhelzing is zo erg nog niet.
Plesch: De neiging elkaar in die innige omhelzing te houden hier, leidt ertoe dat het over de poppetjes en de ruzies gaat. De politiek kan het zich dan veroorloven weinig over de inhoud te zeggen.
Huygen: Er heerst in Amerika hetzelfde syndroom. Maar het grote verschil is dat de journalistiek daarnaast minutieus onderzoekt hoe besluiten, genomen in de politiek, in de praktijk werken. Het is weliswaar een kleine sector in de media die dit soort onderzoek uitvoert, maar die is dan ook erg goed. En dat mis ik hier. Neem de nieuwe WAO en de Zorgverzekeringswet, ze worden met grote haast aangenomen. Het politieke machtsspel wordt nauwkeurig gevolgd, maar hoe vervolgens de werkgevers die berg maatregelen moeten gaan verwerken in januari 2006, daarover gaat het niet. Volgens mij vormen de media zo één van de oorzaken van de overregulering en bureaucratie, omdat ze zich evenmin als de politiek bekommeren om de uitvoerbaarheid van alles wat er in Den Haag wordt bedacht. Media zijn medeverantwoordelijk.
Kinneging: Het is toch zo dat burgers, politici en journalisten klachten over en weer hebben? Kan het zijn, dat ze alledrie gelijk hebben? Zo ja, hoe komt dat? Ik denk dat de oorzaak een gebrek aan ethiek is. Burgers anno nu hebben de neiging om de krant zeer oppervlakkig te lezen of uitsluitend naar gemakkelijke televisieprogramma's te kijken. Dan beginnen ze te gillen, die deugt niet, en die heeft het niet goed gezien, zonder te weten waarover het eigenlijk gaat. Politici doen lang niet altijd hun werk goed. Twintig vergaderingen per dag, geen stukken lezen. Tijd voor verdieping is er niet. Het niveau van de journalistiek, zelfs van de parlementaire journalistiek van de kwaliteitskranten deugt vaak niet. Journalisten zijn vaak opiniemakers geworden, ze hebben het gevoel dat ze allemaal een mening moeten geven. Zijn er nog nederige verslaggevers?
Lepeltak: Dat heet geëngageerde journalistiek
Kinneging: Precies, en daar moeten we misschien van af.
Kantelmomenten
Van Vree: Bij het opleiden van journalisten doen wij nu meer aan research. Dat is geen kwestie van ethiek maar van professionaliteit en expertise.
Dekker: Je kunt mensen wel zo opleiden, maar de beroepspraktijk vraagt om primeurs en scoops.
Van Vree: Dat is een wezenlijk probleem. Daar komen jullie punten samen; je kunt van mening zijn dat een goede journalist ethisch te werk moet gaan, maar de tendens in de markt is absoluut niet zo.
Kinneging: Er was een grote vraag naar kwalitatief hoge journalistiek in Nederland. Die vraag neemt nu drastisch af, er is iets gebeurd. Mensen zijn steeds minder burgers geworden, minder bezig met de zorg voor het algemeen belang. Ze zijn gemakzuchtige consumenten geworden.
Middelaar: De afgelopen decennia is hier een soort dubbele beweging gaande, die je in beide gevallen ontzuiling kunt noemen. De politiek heeft terecht behoorlijke klappen gekregen. Het is voorbij met de manier waarop van oudsher ons partijpolitieke stelsel was georganiseerd als een sociologische weerslag van verschillende kiezersgroepen die elk hun eigen partij en omroep hadden. Het is niet voor niets dat al die discussies over staatkundige vernieuwing nu weer plaatsvinden. Die discussies lopen vast omdat men tegen het eigenbelang in moet handelen. In de politiek was Fortuyn het kantelmoment, de verzuiling werd doorbroken met een populistische beweging. Bij de omroepen is hetzelfde gebeurd, alleen heet het daar niet populisme maar commercialisering. Een groot probleem van de politiek is dat het niet meer voldoende vertegenwoordigende kracht heeft. Er is een representatiecrisis van democratische politiek. Er is echter wel degelijk een manier te vinden waarin de politici de bevolking vertegenwoordigen in dubbele zin. Een volksvertegenwoordiger moet de verlangens, emoties en angsten van de burgers vertegenwoordigen bij de regering. Hij moet vertalen wat de burger denkt. Maar er is ook een beweging terug. Een volksvertegenwoordiger heeft ook een educatieve taak, in die zin dat hij in termen van algemeen belang, van lange termijn, het bericht van de politiek naar de kiezer moet vertalen. Het is een heen en weer vertegenwoordigen. Het was altijd zo dat de politiek en de media aan de ene kant van het spel stonden en de bevolking aan de andere kant. Nu zijn zowel de media als de politiek bezig over te steken naar het volk en ze verliezen daarbij de vertegenwoordiging uit het oog. Er zijn nu politici die alleen kijken naar wat de bevolking wil, de populisten, en dan zijn er de oude regenten als Bot en Brinkman die vinden dat het volk dom is. En zoals vroeger, ieder zijn eigen blaadje, omroep en partij, zo werkt het niet meer. Het systeem is door de individualisering ontploft.
Plesch: Het volk is niet dom, het is gedifferentieerd. De politici moeten herkenbare, mediagenieke mensen inzetten die op deelbelangen inspelen en zo de koppensnellende, zappende burger aanspreken. De politiek heeft de differentiatie niet begrepen.
Huygen: Dat is ook het dilemma waarmee de publieke televisie worstelt. Ook zij moeten een publiek belang vertegenwoordigen, anders kunnen ze net zo goed commercieel gaan. Ze moeten politieke en publieke kwesties die belangrijk zijn voor de burger behandelen op een inhoudelijke manier die het populistische volk aanstaat. Voor media gericht op de hoogopgeleiden spelen andere dilemma's dan voor media voor de lageropgeleiden, zoals de Telegraaf.
Van Vree: Maar kijk naar Nova, kijk naar Netwerk, ze gaan steeds meer mee in de hypes, de druk is te groot, zelfversterkend, want Wilders haalt het journaal. Er is een tegenbeweging waar kwaliteit hergewaardeerd wordt, maar dat moet in een krimpende markt, het proces van commercialisering en popularisering gaat gewoon door. In Amerika heeft de enorme commercialisering van de media, het afnemen van de kwaliteit van de nieuwsrubrieken van de grote networks, waar bijvoorbeeld de buitenlandse correspondenten zijn afgeschaft, bijgedragen aan het politieke
isolationisme en feitelijk ook aan een zekere wereldvreemdheid. Dit heeft wereldstrekkende gevolgen.
Binding en vertrouwen
Lepeltak: Ik vind het gesprek te pessimistisch worden. Er wordt een duidelijke tegenstelling gemaakt tussen ethiek en commercie. Maar in het verlicht liberale idee liggen ze in elkaars verlengde. Ik geloof in een golfbeweging. We zijn nu naar het consumentisme gegaan maar er zijn ook allerlei zaken waarvan het volk zegt, zo moet het niet. Neem de protesten tegen zinloos geweld.
Kinneging: Het is een belangrijk gegeven dat een democratie alleen maar goed kan functioneren met een beschaafde en goed opgeleide bevolking. Bij een bevolking die niet meer beschaafd is of opgeleid als vakidioot houdt op een gegeven moment het functioneren van de democratie op.
Haasbroek: Als de democratie veel beschaving nodig heeft om te kunnen functioneren, hoe krijg je dan al die losgeraakte, steeds hedonistischer mensen weer in het beschavingsgareel?
Kinneging: De vraag is of het kan.
Lepeltak: De vraag is of het moet.
Van Vree: De visie van hoogleraar Populaire Cultuur Liesbeth van Zoonen houdt in dat populisme en populistische televisie een volwaardige vorm van burgerschap en sociale binding zijn. Uitstralen van charme en vertrouwen bepaalt dan het succes van politici. Is het een lagere vorm van burgerschap als discussies verdwijnen en het om vertrouwen gaat?
Huygen: Laatst was ik op een feest met hoogopgeleide mensen. Bijna allemaal hadden ze hun abonnement op de krant opgezegd, want 'ze luisteren alleen nog naar de radio'. Ze hadden allen hun stem uitgebracht bij het referendum over de Europese grondwet en ze hadden geen van allen idee waarover het ging. Schokkend, hoogopgeleide mensen die niet weten waarover het gaat. Zo gaat het ook in de redenering van Liesbeth van Zoonen, het is de postmoderne opvatting dat het er allemaal niet toe doet, alles is cultuur, alles wat we zien is feitelijk en dat is de culturele binding. De ambities van de publieke omroep zijn erg laag. We oogsten wat we zaaien. Men is niet geïnteresseerd en van alle vormen van binding die men heeft zegt men, ze 'zijn wel gedaan', of het nu gaat om chatten of een bepaalde popgroep leuk vinden.
Van Vree: Politieke en sociale binding zijn niet identiek. De vertrouwenwekkende uitstraling van een politicus is een substantieel onderdeel van die bindende werking. Het is een manier die weliswaar niet voldoende is, maar je moet hem ook niet wegvagen.
Wie beheerst de agenda?
Haasbroek: De politicoloog Elchardus vindt dat we ervoor moeten zorgen dat de kansen op succes van een politicus minder afhankelijk worden van media-invloed...
In koor: Onzin, onhaalbaar, oneens.
Kinneging: Alles hangt met alles samen. Als de media kwalitatief beter waren zou er niets aan de hand zijn. Een politicus heeft een spreekbuis nodig. Politici vertrouwen de media niet, in belangrijke mate niet onterecht en daar worden ze spastisch van.
Haasbroek: Je kunt, zoals Fortuyn deed, de media ook naar je hand zetten.
Kinneging: Een politicus die meer wil zijn dan een populist kan niet volstaan met simpele one-liners, hij heeft vaak een ingewikkeld verhaal. Het begint ermee dat de media....
Lepeltak: ...het voor iedereen begrijpelijk vertellen.
Klinkers: De politicus die een gecompliceerd verhaal bij de burgers krijgt is van uitzonderlijke kwaliteit. Daar zitten we op te wachten.
Lepeltak: Er wordt gezegd dat we in een mediademocratie leven. Wat betekent dat? Dat je een leuk gezicht moet hebben, dat je geniaal kunt zijn maar als je een voortand mist het wel kunt vergeten?
Middelaar: In de stelling van Elchardus is inbegrepen dat personen belangrijker worden in de politiek. Maar mensen stemmen nooit alleen op een hoofd, mensen stemmen op een hoofd dat de belichaming is van een idee. Zo belichaamde Den Uyl het idee van 'delen van welvaart' en Fortuyn 'anti-establishment'.
Huygen: Normatief is dat een goede grondslag. Op een gegeven moment moet je op iemand kunnen vertrouwen, je moet kunnen denken: de ideeën van deze figuur stemmen overeen met hoe ik over de wereld denk. Dat is de kracht van de vertegenwoordigende democratie.
Van Vree: De televisie kan vertrouwen creëren maar ook snel vernietigen, vertrouwen is kwetsbaar. Politieke cultuur waarin vertrouwen de hoofdrol speelt is een andere dan waarin de ideeën en sociale binding op de voorgrond staan. Mensen stemden bijvoorbeeld toch wel ARP omdat ze een calvinistische achtergrond hadden.
Huygen: Je moet de vraag stellen of het constitutionele systeem dat berust op de volgzaamheid van de verzuiling nog wel deugt. Het probleem is misschien helemaal niet de media, het gaat om ons kiessysteem. De instabiliteit en de onzekerheid van de politicus heeft te maken met de manier waarop hij door al die zwevende kiezers met evenredige vertegenwoordiging verkozen is.
Graas: In ons land opereren de politieke partijen en vakbonden nog vanuit een collectivistisch denken terwijl de burger individualistisch is. Bij gemeenteraadsverkiezingen komt Wouter Bos weer opdraven. Wat doet hij daar, hij is een landelijk politicus. Er wordt gedacht vanuit de partij als een bolwerk.
Middelaar: Het probleem van ons representatieve democratische systeem is dat er geen breuken in zitten, waardoor je niet elke vier jaar ja of nee kiest. Altijd gaan er weer mensen uit die elite door naar een volgend coalitiekabinet.
Huygen: Ons systeem roept om een Berlusconi die alles weet te manipuleren. De schuld wordt steeds bij de media gelegd, maar het ligt aan ons systeem. John Lloyd, chef-redacteur van de Financial Times, vergeleek de Nederlandse pers met de Britse pers in zijn boek What the media are doing to our politics. Hij vindt de Nederlandse media buitengewoon goed vergeleken met de Britse.
Lepeltak: Wordt de invloed van de media overdreven?
Van Vree: Het RMO-rapport Medialogica laat zien dat, toen iedereen sprak van de mediacratie, het de politiek was die in 2002 de agenda volledig beheerste.
Op drift
Graas: Ik denk dat er in Nederland een grote groep mensen opgroeit die niet weet wat democratie betekent, niet weet wat het inhoudt en wat de consequenties ervan zijn. Het lijkt erop dat iedereen, burgers, media en politiek, na de shock van 2002 zijn eigen specialiteit is kwijtgeraakt.
Van Vree: Als nu de constatering is dat eenieder zijn eigen rol beter dient te vervullen na de shock, dan is het nog de vraag of het kan. Het veronderstelt een voluntarisme waarin ik niet geloof.
Kinneging: Aan de juridische faculteit Leiden hebben we vijfenveertighonderd studenten, die na hun studie allemaal een betrekkelijk belangrijke baan krijgen. Wij sturen die mensen na vijf/zes jaar weg als jurist zonder dat zij iets weten van democratie of rechtsstaat, want dat is niet in het curriculum. Is het
voluntaristisch om te zeggen dat we dat best in het curriculum kunnen stoppen?
Huygen: We krijgen soms opiniestukken van juristen waarvan we denken: hoe is het mogelijk, prima geschreven, slim, maar geen idee van deze basisprincipes. De overheid zou toch moeten denken: een deel van democratie bestaat uit goede informatie en goed onderwijs.
Van Vree: De Franse staatsman Alexis De Tocqueville zag democratisering als sociale revolutie, die zonder dat iemand er iets aan kan doen smaken en standaarden verandert. Wat bij ons in de laatste dertig jaar is gebeurd, is ook een soort sociale revolutie die te maken heeft met consumentisme.
Kinneging: Dat is precies het onderwerp van De Tocqueville. Hij zegt dat democratisering een providentieel feit is maar dat het uit de hand kan lopen en hij wijst precies op de fenomenen waar wij het over hebben.
Lepeltak: Er wordt wel heel veel gepraat door de hooggeleerde heren over de domme massa. Ik zou er toch heel voorzichtig mee zijn. Er zit een bepaalde arrogantie in. Het doet mij denken aan de woorden van Aristoteles: "Wat heb ik verkeerd gezegd dat men mij zo luide toejuicht?"
Haasbroek: De politiek is in crisis, en dat komt door alle actoren, burgers, journalisten en politici, die steken laten vallen. De samenleving is op drift, van God los, welvarender, hedonistischer en individualistischer. Ze verzet zich tegen disciplineringsmechanismes, terwijl er stemmen opgaan die zeggen: zonder die disciplinering functioneert de democratie niet goed.
Van Vree: We zitten in een periode van heftige emoties en stille optochten. De stabiliteit is weg. Het kan alle kanten opgaan, dat geeft een dynamiek die je niet kunt beheersen.
Kinneging: Ik vind het erg belangrijk dat dan de pers de politici controleert. Als we geen goed functionerende pers hebben is onze vrijheid niet gegarandeerd.
Lepeltak: Journalisten moeten zorgen voor goede voorlichting, dat is alles...
* Hedda Maria Post en Julia Schmidt zijn redacteuren van BASIS
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,112,370,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2013