Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Publiek-private samenwerking op de arbeidsmarkt in Nederland
Door drs. R. Kemper, drs R. Bakker en dr. M. Bult-Spiering*
Onder invloed van de oplevende economie heeft het aantal vacatures een recordhoogte bereikt. Tegelijk bleek onlangs uit mede door Research voor Beleid uitgevoerd onderzoek dat een half miljoen niet-uitkeringsgerechtigden, momenteel zonder baan, best aan het werk wil. Ook andere arbeidsreserves worden onvoldoende benut. Om de mismatch tussen vraag en aanbod terug te dringen passen Angelsaksische landen vormen van publiek-private samenwerking toe. Een verkenning van de mogelijkheden in Nederland.
De Nederlandse economie draait op volle toeren. De organisatie van industrielanden OESO heeft zelfs al verschillende keren gewaarschuwd voor dreigende oververhitting. Een opgaande conjunctuur vertaalt zich met enige vertraging in toenemende spanningen op de arbeidsmarkt. Weliswaar groeit de beroepsbevolking doordat steeds meer ouderen langer doorwerken en de arbeidsparticipatie onder allochtonen licht toeneemt. De groei houdt echter geen gelijke tred met de sterk stijgende vraag van bedrijven naar nieuwe werknemers. Werkgevers ondervinden steeds meer moeite om in hun personeelsbehoefte te voorzien.
Arbeidsreserves
Ondanks deze krapte staan nog altijd grote groepen mensen aan de kant. Het is zelfs zo dat de omvang van de arbeidsreserve nu veel groter is dan in eerdere perioden van grote personeelsschaarste. Het Centraal Planbureau schat dat op dit moment ten minste 1,3 miljoen mensen zoeken naar werk. Blijkbaar hebben werkgevers en werkzoekenden moeite elkaar te vinden. Het kabinet belegde onlangs een participatietop met werkgevers, werknemers en gemeenten om te bespreken hoe ongebruikt arbeidspotentieel aan werk is te helpen. Tijdens de top zijn gezamenlijke afspraken gemaakt die jongeren, vrouwen, ouderen, allochtonen en gedeeltelijk arbeidsgeschikten moeten stimuleren (meer) te gaan werken.
Een deel van de personeelstekorten is op te vullen met uitkeringsgerechtigden. Om meer bijstandsgerechtigden aan het werk te krijgen, introduceerde het kabinet in 2004 de Wet Werk en Bijstand. Deze wet heeft gemeenten financieel en inhoudelijk verantwoordelijk gemaakt voor de omvang van de eigen bijstandspopulatie. De wet geeft gemeenten zowel een financieel belang als de beleidsruimte om cliënten actief te begeleiden naar werk. Uit de evaluatie van de WWB is gebleken dat gemeenten intensiever en meer resultaatgericht zijn gaan werken om mensen uit een uitkering te krijgen. Het aantal bijstandsgerechtigden is inmiddels gedaald naar 284.000, nog altijd een forse groep. Naast deze groep bijstandsgerechtigden zijn er 226.000 mensen met een werkloosheidsuitkering en 24.000 gedeeltelijk arbeidsgeschikten (cijfer betreft alleen Wet Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Hoewel niet al deze mensen in de praktijk bemiddelbaar zullen zijn naar werk, vormen uitkeringsgerechtigden niettemin een grote arbeidsreserve.
Naast uitkeringsgerechtigden is er een groep mensen die geen baan heeft en ook geen uitkering. Veelal gaat het hier om werkzoekenden die een werkende partner hebben, maar het kan ook werkloze jongeren betreffen die nog bij hun ouders inwonen. Niet-uitkeringsgerechtigden (kortweg 'nuggers') zonder baan vormden een tot voor kort relatief verborgen reserve op de arbeidsmarkt. De Raad voor Werk en Inkomen heeft onlangs onderzoek laten doen naar de omvang en kenmerken van deze groep. Uit de inventarisatie blijkt dat een half miljoen nuggers best bereid is te gaan werken.
Vraag en aanbod gescheiden
Het naast elkaar bestaan van arbeidsreserves en grote personeelstekorten geeft aanleiding te veronderstellen dat de aansluiting tussen vraag en aanbod niet optimaal functioneert. De relevante vraag is hoe het onbenutte arbeidspotentieel beter bij de arbeidsmarkt betrokken kan worden. De Raad voor Werk en Inkomen ziet in vraaggerichte re-integratie een mogelijkheid om werkzoekenden aan het werk te krijgen. Veel gemeenten weten op dit moment vaak niet hoe "matchbaar" hun WWB-cliënten zijn en kennen de regionale arbeidsmarkt onvoldoende.
De case van de nuggers vormt een goede illustratie van dit probleem. De groep nuggers bestaat voor tweederde uit vrouwen. Uit het eerder genoemde onderzoek blijkt dat nuggers gemotiveerd zijn aan de slag te gaan. Een groot gedeelte is middelbaar (43%) of hoger (21%) opgeleid. Daarom zijn ze in vergelijking met bijstandsgerechtigden beter toegerust voor de arbeidsmarkt. In veel gevallen zijn nuggers jonger dan bijstandgerechtigden en mensen met een WW-uitkering. Wat vaak ontbreekt is (recente) werkervaring. In een aantal gevallen is er sprake van een verouderde opleiding.
Voor nuggers ontbreekt de noodzaak tot het vinden van werk, ze zijn immers niet afhankelijk van het inkomen. Dit maakt dat ze niet al het werk dat ze aangeboden krijgen, wensen te accepteren. Administratief werk, werken in een winkel of in de detailhandel, (medische) verzorging en facilitaire dienstverlening hebben de voorkeur onder de nuggers. Ongeveer één derde wil fulltime werken, de rest is parttime beschikbaar.
Arbeidsmarktprognoses laten zien dat de werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening, gezondheidszorg en detailhandel de komende jaren gaat toenemen.
De wensen van de nuggers zijn daarmee niet onrealistisch. De vraag naar personeel vormt dus niet het probleem. Het aanbod vanuit de nuggers is mogelijk te kieskeurig. De vraag naar arbeid vanuit werkgevers stijgt echter, waardoor de problemen als gevolg van een gebrek aan personeel zullen toenemen. Alleen wanneer werkgevers zich flexibel en creatief opstellen, kan een match ontstaan tussen vraag en aanbod en wordt oververhitting van de arbeidsmarkt voorkomen. Het aannemen van een gemotiveerde en eenvoudig geschikt te maken groep als de nuggers, is dan aanlokkelijk. Dit aanbod dient dan wel in het gezichtsveld van de werkgevers geplaatst te worden als een oplossing voor personele problemen. Het is raadzaam werkgevers te ondersteunen, wanneer zij ervoor kiezen te investeren in nieuw personeel.
Brug tussen vraag en aanbod
Eén mogelijke oplossing om tot een match tussen vraag en aanbod te komen is publiek-private samenwerking (PPS) op regionaal niveau. PPS is een samenwerkingsverband waarbij overheid en bedrijfsleven, met behoud van eigen identiteit en verantwoordelijkheid, gezamenlijk een project realiseren op basis van een heldere taak- en risicoverdeling. Een als PPS te typeren vorm van samenwerking bestaat in elk geval uit de volgende elementen:
- één of meer publieke en
- één of meer private actoren
- werken samen
- aan de realisering van een onderling overeengekomen doelstelling
- in een organisatorisch verband
- met inbreng van middelen
- en risicoaanvaarding
- en verdeling van de opbrengsten
Publiek-private samenwerking wordt in Nederland tot op heden vooral toegepast in de ruimtelijke ontwikkeling, zoals gebiedsontwikkeling en infrastructurele projecten. Gezien de definitie en de voorwaarden zou PPS ook een geschikt instrument kunnen zijn voor sociale vraagstukken. In het buitenland is ervaring opgedaan met het toepassen van PPS op werkgelegenheidsvraagstukken.
Om te kunnen beoordelen of PPS een bruikbaar instrument is voor de aanpak van arbeidsmarktproblemen, moet bekeken worden onder welke voorwaarden PPS de grootste kans van slagen heeft. De voorwaarden zijn onder te verdelen in economische en sociologische aspecten. Economische voorwaarden hebben betrekking op mogelijkheden voor ruil en voor het creëren van meerwaarde voor de samenwerkingspartners. Daarbij is het van belang dat er naast gezamenlijke doelstellingen ruimte blijft bestaan voor het realiseren van de individuele doelstellingen van de publiek-private partners. Wat de sociologische voorwaarden betreft, gedacht moet worden aan waarborgen van de onderlinge afhankelijkheid tussen de partners en aan relationele concepten als vertrouwen, respect en flexibiliteit.
Om PPS in te zetten als instrument voor het overbruggen van de discrepantie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt is het dus zaak te inventariseren bij welke publieke en welke private organisaties ruilmogelijkheden bestaan, toegespitst op specifieke subcategorieën van het arbeidsmarktpotentieel. In een recente publicatie pleit de Algemene Bond Uitzendonderneming voor meer inzet van PPS (zie kader).
ABU over PPS
Het regionale bedrijfsleven, uitzendbureaus, re-integratiebedrijven, gemeenten, sociale diensten UWV en CWI zijn de partijen die samen resultaten moeten boeken. Dit begint met het erkennen en waarderen van elkaars rol en kwaliteiten en het afspreken van een duidelijke taakverdeling. Private partijen hebben volgens de ABU een uitvoerende rol en publieke partijen een faciliterende rol. Effectieve samenwerking op regionaal niveau komt tot stand wanneer er één loket komt waarin arbeidsmarktbeleid, re-integratie en subsidieverstrekking voor doelgroepen worden gecoördineerd. Het is noodzakelijk de vaak bestaande schotten tussen publieke organisaties af te breken. Er moet een landelijk kader ontwikkeld worden waarbinnen de voorwaarden voor samenwerking geregeld zijn. Omdat de regionale verschillen op de arbeidsmarkt groot zijn moeten er binnen het gestelde kadermaatwerk mogelijkheden zijn die recht doen aan de regionale situatie. Werkgevers moeten aangeven welke mensen zij nodig hebben, de re-integratiebedrijven hebben als taak te zorgen dat mensen worden toegerust om de arbeidsmarkt te betreden. De uitzendbranche zal haar zeer uitgebreide netwerk in het bedrijfsleven benutten voor het bij elkaar brengen van vraag en aanbod. Verschillende vormen zoals uitzenden, detacheren en payrollen kunnen worden toegepast. De insteek bij samenwerking moet gericht zijn op het benutten van de bewezen kwaliteiten van re-integratie-bedrijven en uitzendbureaus.
Toepassing van PPS op arbeidsmarktproblematiek is mogelijk te realiseren door aan te sluiten bij ontwikkelingen bij uitvoerders van de sociale zekerheid. Recent is bekend gemaakt dat overal in Nederland toegewerkt wordt naar Locaties voor Werk en Inkomen (LWI's). Hier gaat de matching tussen vraag en aanbod plaatsvinden. Gemeenten en de - op korte termijn - gefuseerde CWI en UWV nemen deel aan deze locaties. De laatst genoemde organisaties vertegenwoordigen arbeidsaanbod en niet de arbeidsvraag. Het risico bestaat dat het arbeidsaanbod in de praktijk uitgangspunt blijft voor de uitvoering in plaats van de te prefereren vraaggerichte benadering. Door de LWI's uit te breiden met vertegenwoordigers van werkgevers en uitzendbureaus, ontstaat er een kortere lijn tussen vraag en aanbod en kan eerder inzichtelijk worden gemaakt welke knelpunten er tussen vraag en aanbod zijn. Door de grotere transparantie is de re-integratie van kandidaten veel gerichter vorm te geven. Samenwerking met private bemiddelaars leidt tevens tot een bredere registratie van arbeidsvraag en -aanbod, waardoor lokaal of regionaal arbeidsmarktbeleid beter afgestemd kan worden op de reële situatie.
Het bovenstaande idee staat nog in de kinderschoenen maar verdient verdere uitwerking. Creatieve publiek-private samenwerking, die zich richt op de grote groepen mensen die op dit moment langs de kant staan, kan de dreigende oververhitting van de arbeidsmarkt voorkomen.
Rapporten en bronnen:
* Riemer Kemper en Robbert Bakker zijn werkzaam als onderzoeker bij Research voor Beleid. Mirjam Bult-Spiering is verbonden aan de Universiteit Twente
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,115,403,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2013