Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Historische achtergronden van de managerscultuur
door Chris van der Heijden*
Is Nederland, ons goed georganiseerde, rustige, welvarende, tolerante en naar alle onderzoeken steeds weer uitwijzen gelukkige landje, vastgelopen in het rulle zand van een uitdijende managerscultuur?
In juni vorig jaar vond in Pernis een vreselijke moord plaats. Helaas gebeurt dat wel vaker. Het zal echter niet zo vaak gebeuren dat zo'n moord plaatsvindt terwijl de politie voor de deur staat. Dat was dit keer wel het geval. Om van de vele verslagen van de gebeurtenissen er één te citeren - uit De Gelderlander van 6 juli 2007: 'De voordeur is verzegeld met politiezegels. Voor diezelfde voordeur stonden vrijdagnacht 15 juni twee agenten die [het slachtoffer] Jue om hulp hoorden roepen. De bewapende agenten wilden de dijkwoning niet in zonder versterking. Die zou een half uur op zich laten wachten. En dus stonden ze, met de verzamelde buren op straat, machteloos te luisteren naar zijn kreten. Toen de politie de woning uiteindelijk binnenviel, duurde het niet lang tot Jue bezweek aan zijn verwondingen.'
In hetzelfde bericht staat dat de overbuurman begreep dat de politie niet zomaar naar binnen stormde. 'Je hebt geen idee wat er achter die voordeur gebeurt', zei hij tot de journalist van De Gelderlander. 'Je kunt wel binnenstormen, maar wat als er direct een kalasjnikov op je wordt gericht?' Een dergelijk argument zal in de rapporten naar aanleiding van de zaak vermoedelijk eveneens gebruikt zijn - en terecht. Politiemannen zijn geen blinde paarden. Toch betwijfel ik of een dergelijke voorzichtigheid de belangrijkste reden is dat de mannen een half uur gewacht hebben. Dat is waarschijnlijk 'het protocol'. Wat daar precies in staat, weet ik niet. Het zal zoiets zijn als 'in geval van... wordt men geacht om...' Dit is nu typisch zo'n 'geval van' zullen de politiemannen tegen elkaar gezegd hebben terwijl ze voor de deur overlegden wat te doen. En dus wachtten ze en wachtten ze, tot het te laat was. 
In de week dat het proces over deze zaak speelde, begin april 2008, verkeerde ikzelf in de eindfase van een maanden durend akkefietje. Afgelopen najaar had ik om praktische redenen besloten mijn communicatienetwerkje van telefoon, internet en televisie bij één en dezelfde leverancier onder te brengen. Daartoe moesten in theorie drie handelingen verricht worden want de kabel was in handen van Casema, de telefoon bij KPN/Scarlett en het internet bij Het Net. Wat op zich een eenvoudige klus had moeten zijn, werd een gekmakende exercitie. Ik heb het aantal handelingen en uren niet bijgehouden en het geheel is ook te saai en te vervelend om nauwkeurig te reconstrueren maar het labyrint waarin ik terechtkwam, is werkelijk met geen pen te beschrijven. De ene na de andere vriendelijke hulpdienst ('kan ik verder nog wat voor u doen'? 'En dan wens ik u nog een fijne avond') stond me te woord maar niemand wist hoe het moest, wat de een uitschakelde, zette de ander weer aan, wat de een toezegde maakte de ander ongedaan en nadat ik uiteindelijk na tientallen telefoontjes van alle partijen de verzekering had gekregen dat alles in orde was, 'hand op het hart', ontving ik van mijn oude leveranciers doodleuk weer een rekening voor een nieuwe termijn.
Op de dag dat ik deze rekeningen ontving, publiceerde het Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling Forum een rapport over Waspik, gemeente Waalwijk, waar een stelletje jongeren een Liberiaans gezin het leven zo zuur had gemaakt dat het ten einde raad vertrokken was. Conclusie van het rapport was niet dat gemeente, politie en jongerenwerk niets gedaan hadden. Juist niet. Conclusie was dat iedereen van alles en nog wat had gedaan maar dat juist al die inspanningen tot resultaat hadden gehad dat er niets was gebeurd - ja, veel stukken, vergaderingen en goede voornemens.
Voorbeelden als deze zijn er te over. Is Nederland, ons goed georganiseerde, rustige, welvarende, tolerante en naar alle onderzoeken steeds weer uitwijzen gelukkige landje vastgelopen? Ik heb het me in afgelopen jaren en op basis van gebeurtenissen en anekdotes als bovenstaande vaak afgevraagd. Ook vroeg ik me af of dergelijke gebeurtenissen een patroon vormen en zo ja welk. Maar vooral, ik ben tenslotte historicus, interesseren me de achtergronden. Waar komt die regel-, praat-, overleg- en protocolziekte vandaan?
Dat ik niet de enige ben die zich dergelijke vragen stelt, merkte ik nadat ik besloten had over het onderwerp een boekje te schrijven. Dat werd Het zand in de machine. Managerscultuur in Nederland (Uitgeverij Contact, Amsterdam 2007). Opeens zag ik overal die managerscultuur en hoorde steeds weer van de weerzin ertegen. Selectieve perceptie zal daarbij zeker een rol gespeeld hebben. Maar niet alleen. De tijdgeest doet het ook. Hoezeer merkte ik nadat mijn boekje verschenen was. Van ontelbare kanten kreeg ik dezelfde reactie: dat de verhalen zo herkenbaar waren. Daarop volgde meestal een eigen ervaring, nummer zoveel in de reeks. Ondertussen hoopte het aantal (anti)managersboeken zich op mijn bureau op. Het laatste exemplaar op de stapel draagt zelfs een oudtestamentische titel: De tien plagen van de staat. De bedrijfsmatige overheid gewogen. In tien hoofdstukken van evenzoveel specialisten biedt het één lange tirade tegen de verwording van Nederland, in het bijzonder de marktwerking in de zorg, het drama van de onderwijsvernieuwing, ambtenaren zonder inhoud, het maakbaarheidssyndroom en het gelijkheidsideaal. Conclusie: 'het is alsof een blinde olifant werd losgelaten in onze achtertuinen, die daar, door niemand beteugeld en tegengehouden, vrijelijk de grootste verwoestingen kan aanrichten. En zoals met die blinde olifant, zo zijn ook door de overheid aangerichte ravages niet zozeer het gevolg van kwade wil of agressiviteit. Het probleem is veeleer dat het instituut dat onze collectieve wil belichaamt van zijn stabiliserende democratische ankers is losgeslagen.' Hierbij vergeleken is mijn suggestie dat managers binnen organisaties de rol van zand vervullen - en niet van smeerolie - nog zeer gematigd.
Mijn ietwat nuchterder inschatting van de managersplaag is deels het gevolg van de overtuiging dat die 'plaag' ouder is dan in de meeste beschouwingen wordt gesteld en wortelt in een traditie die je onmogelijk louter als negatief kunt omschrijven: de overlegcultuur. Zij is wellicht Nederlands' grootste zwakte maar tevens 's lands grootste kracht. Een van de eersten die daarop wees was de Engelse gentleman die zich in de herfst van het voor de Nederlandse geschiedenis zo rampzalige jaar 1672, sinds lang bekend van de bijvoeglijke naamwoorden redeloos, reddeloos en radeloos, terugtrok in zijn huis buiten Londen om over het zojuist zwaar getroffen land een boek te schrijven. Dat boek opent met een zin die sindsdien duizendmaal herhaald werd en in ieder geval tot voor kort een zekere actualiteit bezat: dat de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën bij sommige van haar buren weliswaar jaloezie opwekt en bij andere angst maar door allen bewonderd wordt, 'the envy of some,' staat er, 'the fear of others and the wonder of all their neighbours.' Sir William Temple, aldus de naam van de schrijver, kon het weten. Van juni 1668 tot september 1670 was hij voor de Engelsen ambassadeur in Den Haag geweest. In die functie had hij het land en zijn leiders goed leren kennen, met als resultaat dat hij het succes van de Nederlandse republiek niet alleen constateerde maar ook meende te kunnen verklaren. Daartoe gebruikte hij begrippen als veelvormigheid, gelijkheid, democratie en eenvoud. Wat betreft die veelvormigheid was Nederland een uitzondering, stelt Temple. Republieken waren er wel meer (Venetië bijvoorbeeld en het Engeland van Cromwell) maar die werden even autoritair bestuurd als koninkrijken. Zo niet de Nederlandse republiek. 'Zij is een confederatie van zeven soevereine gewesten,' schrijft hij, 'die zich, ter gezamenlijke en onderlinge verdediging, verenigd hebben zonder dat het ene gewest van het andere in enig opzicht afhankelijk werd.' Hiermee was de diversiteit nog slechts gedeeltelijk omschreven want wat op provinciaal niveau gold, gold ook op lokaal niveau. Elke stad had z'n eigen rechtbank, een eigen belastingkantoor en zelfs een eigen politiek inzake oorlog en vrede.
Een van de aspecten van deze diversiteit, aldus Temple, is een grote mate van gelijkheid. De Republiek, zo zou je met een moderne term kunnen zeggen, was een horizontale samenleving. Een door hem en vele andere bezoekers vermelde illustratie hiervan is het ontbreken van vertoon. Fameus dankzij Voltaire werd de anekdote van de Nederlandse diplomaten die tijdens de onderhandelingen van het Twaalfjarig Bestand aan de rand van de rivier, gezeten in het gras, de zelf meegebrachte boterhammetjes oppeuzelden. 'Zulke mensen zullen we nooit verslaan,' zouden de Spaanse diplomaten bij het zien hiervan uitgeroepen hebben. Uit ongeveer dezelfde tijd dateert de verwondering van een Venetiaans gezant over het feit dat prins Maurits hem te voet kwam opzoeken. Een halve eeuw later verbaasde Cosimo III van Florence zich erover dat admiraal De Ruyter als gewoon burger met zijn vrouw een wandelingetje over straat maakte en, meer nog, dat de zuster van de burgemeester van Amsterdam een kous stopte terwijl ze hem, voorname gast, te woord stond.
Omdat niemand het echt voor het zeggen had, kent de Nederlandse samenleving sinds lang een sterke overlegcultuur. Temple spreekt er uitvoerig over en verbaast zich vooral over het feit dat Nederlanders altijd weer een compromis weten te vinden. Dat is een groot voordeel, zegt hij, en een belangrijke reden voor het succes van het land - zij het, zo voegt hij er met het oog op het rampjaar aan toe, dat het in tijden van nood ook een nadeel kan zijn. Maar voor- of nadeel, het feit blijft en is zeker in vergelijking met andere landen zelfs onmiskenbaar. De Nederlandse vergader-, discussie- of overlegcultuur hoort al eeuwen net zo bij ons land als de wind en de molens, de luchten en het grijze licht. Veelal heeft men de neiging deze cultuur te verklaren door de gezamenlijke strijd tegen het water. Vandaar het begrip dat eind 20ste eeuw, ook internationaal, furore maakte: poldermodel. Maar er zijn wel meer landen die aanhoudend tegen het water strijden en toch een heel ander maatschappelijk systeem kennen. Daarom is het vermoedelijk juister de Nederlandse overlegcultuur te herleiden tot de vroege verstedelijking, de gewenning samen te leven in een kleine ruimte en de al genoemde gelijkheid. Je zou het geheel kunnen samenbrengen onder de noemer 'burgerlijke cultuur', dit begrip niet in de pejoratieve betekenis die het in de jaren zestig had maar als historisch fenomeen, als aanduiding van een samenleving die gedomineerd wordt door een sociale groepering die niet bestaat uit edellieden of militairen, boeren of buitenlui maar uit dames en heren die aan een straatje in een stadje wonen, geen grootse plannen of idealen koesteren, gedempt spreken, geen wapens dragen en, in de beroemde woorden van Greshoffs Liefdesverklaring, 'langzaam wandlen over 't Velperplein.
De dominee, de dokter, de notaris.
En 't klerkje dat vandaag wat vroeger klaar is.'
Dergelijke personen slaan niet met de vuist op tafel, grijpen niet naar pistool of zwaard, schreeuwen niet maar zoeken de nuance, het overleg, het compromis, het gemiddelde, de afspraak. Dat was in de 17de eeuw zo en dat was in de 19de eeuw nog veel sterker het geval. Nederland was, zoals een Frans auteur (Alphonse Daudet) zei, 'het balkon van Europa'. Tot het land in 1940 in de mêlee betrokken werd, keek het hoofdschuddend hoe men elkaar in Europa de schedel insloeg, om onder het zachte licht van de tafellamp vervolgens een spelletje mens-erger-je-niet te spelen of de vergadering van de plaatselijke konijnenclub bij te wonen. Het is een cliché. Dat is waar. Maar het bergt een diepe grond aan waarheid.
In de tweede helft van de 20ste eeuw maakte Nederland in razend tempo een verandering door. Regionale verschillen verdwenen. Zo ook de sociale. Zuilen braken open. Afstanden hielden letterlijk en figuurlijk op te bestaan. Kerken liepen leeg. Kenden land en cultuur tot dat moment nog tal van sociale, religieuze en geografische lagen en binnen al die lagen eigen overlegorganen, vanaf de jaren zestig maakten die lagen plaats voor twee op het eerste gezicht volstrekt onverenigbare niveaus. Op het hoogste en meest abstracte niveau werd eenieder in korte tijd 'Nederlander', dat wil zeggen dat hij of zij ophield een Brabantse katholieke arbeider, een protestant uit Drente of een Amsterdamse liberale huisvrouw te zijn maar voortaan eerst en vooral burger was van een en dezelfde staat: Nederland. Voor die staat betekende deze plotselinge verantwoordelijkheid een groot probleem. Tot dan toe had de organisatie van de samenleving immers grotendeels in de tussenlagen plaatsgevonden, in genoemde zuilen, de regio's, de kerken, de steden, de beroepsgroepen en waren het de elites van die tussenlagen geweest die via overleg en compromissen het geheel bijeen hadden gehouden. Opeens vielen al die taken de centrale overheid toe. Haar taak werd nog eens extra gecompliceerd doordat dezelfde samenleving die op deze wijze aan de bovenkant samensmolt aan de onderkant uiteenviel in evenzoveel deeltjes als er inwoners waren: 'X miljoen mensen/ op dat hele kleine stukje aarde,' zoals het liedje zingt, 'Die schrijf je niet de wetten voor/ Die laat je in hun waarde.' Elke Nederlander waande zich door de desintegratie van zo goed als alle verbanden en de bijna gelijktijdige ontwikkeling van de zogenoemde Ik-cultuur in toenemende mate een zelfstandig wezen dat uit het groeiende aanbod van welvaartsmiddelen, religie, ideologie en vermaak zijn eigen pakketje samenstelde. Het gevaar hiervan was niet minder dan een volledige desintegratie van de samenleving. Dat die niet plaatsvond komt doordat de staat, hoewel onervaren, zich in noodtempo ontwikkelde. Een van de aspecten van die ontwikkeling was een spectaculaire groei van het aantal mannen en vrouwen dat de zorgtaak moest uitvoeren: de bureaucratie. Haar successen waren groot. Halverwege de jaren zeventig, met als hoogtepunt het tijdperk Den Uyl, keek de halve wereld opnieuw naar Nederland zoals men halverwege de 17de eeuw had gedaan, met verwondering en bewondering: zo vrij, zo rijk, zo verzorgd, zo goed georganiseerd.
Het succes van de verzorgingsstaat was van korte duur. Niet alleen was hij onbetaalbaar, hij bleek zijn doelstelling ook onmogelijk te kunnen waarmaken. De crisis leidde op organisatorisch niveau echter niet tot afbraak. Dat kon ook bijna niet. Want wie of wat zou de plek van de staat moeten innemen? De tussenverbanden waren immers zo goed als verdwenen terwijl het aantal Nederlandse individuen bleef groeien. En dus werd stapje voor stapje, eerder onbewust dan bewust, een oplossing gevonden die paste bij de traditie, aansloot bij recente ontwikkelingen en ook nog eens conform de internationale mode was. Dat is de managerscultuur. Zij suggereert redelijkheid, bepleit overleg, kiest de zachte weg, staat democratie voor en wenst inzichtelijkheid. Zo bezien wortelt zij in oer-Hollandse grond. Bovendien past de managerscultuur bij het relatief recente fenomeen van een grote, bemoeizuchtige staat. Je zou zelfs kunnen volhouden dat manager en bureaucraat jut en jul van elke moderne organisatie zijn. Tot slot sluit de manager aan bij de nieuwe, zakelijke manier van denken die sinds de jaren tachtig (Thatcher, Reagan, Lubbers) het Westen verovert en sinds De Val van de Muur in z'n Amerikaanse, neoliberale variant door velen zelfs als de enige serieuze ideologie wordt beschouwd. Deze manier van denken legt steeds meer nadruk op de organisatie in plaats van op mensen, heeft vooral aandacht voor objectieve criteria als cijfers, targets en protocollen en is verzot op uiterlijk, sjieke woorden, mooie brochures, vakbeurzen, vergadertafels en andere bijkomstigheden. De gevolgen zijn ernaar. Het steeds vaker gehoorde oordeel ook. En de eventuele uitkomst? Die doet onvermijdelijk denken aan het jaar dat met drie onvergetelijke bijvoeglijke naamwoorden de vaderlandse geschiedenis is ingegaan en dat William Temple aanzette tot het schrijven van een boek vol bewondering en... medelijden.
* Chris van der Heijden (1954) is historicus, docent, schrijver en publicist. Hij publiceerde een tiental boeken, waaronder:
- Grijs verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog
(2001)
- Een dollar per dag. Arm en rijk in de wereld van nu
(2005)
- Het zand in de machine. Managerscultuur in Nederland
(2007)
- Israël, een onherstelbare vergissing
(2008)
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,118,417,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2012