Skip navigation

Redactieadres:

Panteia B.V.

Postbus 7001

2701 AA Zoetermeer

T: 079 - 322 22 00

F: 079 - 343 01 01

E: redactie@panteia.nl

De arbeidsmarkt van het agrocluster in 2016

Groene sector aan de slag

Door drs. W.H.J. Verhoeven en drs. P.M. de Klaver*

Aan bijna 550.000 werknemers biedt het agrocluster momenteel werk. Dat komt neer op zeven procent van de totale werkgelegenheid in ons land. Het agrocluster - bestaande uit landbouw, de aan de landbouw toeleverende industrie en de landbouwproductenverwerkende industrie - is dus een zeer belangrijke drager van de Nederlandse economie. Het cluster zorgt voor werkgelegenheid en leefbaarheid van het platteland.

Het agrocluster wordt gezien als een belangrijke Nederlandse troef om bij te dragen aan de Lissabonstrategie die de EU moet opstuwen tot de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie. De ambitieuze overheidsplannen rond het agrocluster kennen echter één serieuze bedreiging: de arbeidsmarkt. Het Nederlandse agrocluster ondervindt in toenemende mate problemen om aan voldoende arbeidskrachten te komen. De vraag is hoe deze problemen de komende jaren op te lossen.
Om deze vraag te beantwoorden zijn de huidige en voor de toekomst (tot 2016) voorziene ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van het agrocluster in kaart gebracht. Dit is onder andere gedaan op basis van een scenarioanalyse, die gericht is op twee sleutelonzekerheden:
- In hoeverre zijn landen (Nederland) bereid en in staat internationaal samen te werken?
- In hoeverre staat marktwerking voorop en wordt de collectieve sector 'hervormd'?
De combinaties van de twee sleutelonzekerheden leiden tot een viertal scenario's.

Figuur 1 Sleutelonzekerheden en de vier scenario's (Bron: CPB (2004). Vier vergezichten op Nederland)

scenario

Dalende werkgelegenheid, vergrijzing en ontgroening
Het agrocluster is goed voor 7 procent van de totale werkgelegenheid in ons land. Twee derde van het cluster wordt gevormd door de primaire landbouw, een derde door de toeleverende en verwerkende industrie. Binnen de landbouw zijn de veehouderij (105.000 werkenden) en de glastuinbouw (83.700) dominant. Dominant in de toeleverende en verwerkende industrie is de voedingsmiddelenindustrie (162.800).

De verwachting is dat de werkgelegenheid in het agrocluster tot 2016 zal afnemen. Deze ontwikkeling was de afgelopen jaren al zichtbaar. Gezinsarbeid neemt daarbij structureel af, terwijl het aantal vaste krachten licht daalt en flexibele arbeid toeneemt.

Figuur 2 Werkgelegenheidsontwikkeling agrocluster 2006-2016 naar arbeidstype (Bron: EIM, mede op basis van CPB, SCP, RIVM en MNP)

tabel

 

De afname geldt vooral in de toeleveringsindustrie en de veehouderij. Alleen in de agrarische dienstverlening neemt de werkgelegenheid nog toe. Toenemende concurrentie en gebrek aan bedrijfsopvolging leiden tot schaalvergroting. In combinatie met nieuwe productietechnieken en organisatorische innovaties leidt dit ertoe dat er steeds meer geproduceerd kan worden met minder mensen. Er zal vooral vraag zijn naar gekwalificeerd personeel.

Ondanks deze voorziene afname van de werkgelegenheid is de verwachting dat het agrocluster in de nabije toekomst te maken krijgt met forse tekorten aan (gekwalificeerd) personeel. Hierbij spelen in de eerste plaats voor de hand liggende ontwikkelingen als vergrijzing en ontgroening een rol. Doordat het huidige personeel in het agrocluster sterker vergrijsd is dan in andere sectoren - 45 procent is ouder dan 45 jaar, tegen 37 procent gemiddeld - zal het agrocluster de komende jaren met een relatief grote vervangingsvraag te maken gaan krijgen. Dit speelt vooral binnen de primaire landbouw en de voedingsmiddelenindustrie en veel minder in de tuinbouw (hier is het personeelsbestand gemiddeld jonger).

De ontgroening leidt ertoe, dat de instroom van leerlingen in het groene onderwijs - de landbouwrichting op het (v)mbo, hbo of wo - afneemt. Tel daarbij op dat:

  • het aandeel 'groen' in het mbo en (in iets mindere mate) hbo en wo onder druk staat,
  • gediplomeerden uit het vmbo en mbo maar voor een deel naar hogere groene opleidingen doorstromen,
  • lang niet alle afgestudeerden met een groene opleiding terechtkomen in het agrocluster
  • en het is duidelijk dat het agrocluster te maken krijgt met een dalende instroom vanuit het 'groene' onderwijs.

Flexwerk
Een andere reden voor de voorziene arbeidsmarktproblemen van het agrocluster is de grote (en toenemende) behoefte aan flexibele arbeid. Met name in piekperioden is deze behoefteaanzienlijk. Gemiddeld genomen werkt ongeveer 20 procent van de werknemers op basis van tijdelijke contracten. Vooral de tuinbouw werkt veel met flexibele arbeid, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de veehouderij, waar dit amper voorkomt.

Zoals gezegd is de verwachting dat de behoefte aan flexibele arbeid vanuit het agrocluster de komende jaren toeneemt. Dit kan tot problemen leiden. Zo stijgt ook in andere sectoren de vraag naar flexibele arbeid. Daarentegen zal het binnenlandse aanbod van flexibele arbeid naar verwachting eerder af- dan toenemen, bijvoorbeeld omdat werknemers meer en meer behoefte hebben aan baanzekerheid en ze - door de toenemende krapte op de arbeidsmarkt - ook steeds hogere eisen kunnen stellen aan een baan met meer zekerheden.

Ook het buitenlandse aanbod van flexibele arbeidskrachten zal naar verwachting onder druk komen te staan. In de huidige situatie zijn vooral seizoenmigranten, zo'n zeventigduizend, uit Polen en andere Oost-Europese landen in het agrocluster zeer gewild. Belangrijke motieven voor deze mensen om in Nederland te komen werken zijn het lage inkomen en de werkloosheid in eigen land. De welvaart neemt in deze landen echter snel toe. In grote delen van Polen zijn al grote tekorten ontstaan aan gekwalificeerd personeel. In de betreffende landen zijn recent campagnes gestart om jongeren te bewegen in eigen land te gaan werken, of hiernaar terug te komen. Nederland behoort verder niet tot de favoriete bestemmingen voor seizoenarbeid. Ten slotte kiezen seizoenmigranten in Nederland steeds vaker voor sectoren met hogere lonen.

Arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en imago
Verder zijn ook de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en het imago van het agrocluster van belang. Op het terrein van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden scoort het agrocluster vaak toch minder dan andere sectoren. De loonontwikkeling blijft achter bij die in andere sectoren, onderbetaling komt nogal eens voor, er moeten soms lange dagen worden gemaakt, het werk is fysiek zwaar, er is weinig ruimte voor bijscholing. De arbeidsomstandigheden hebben wel veel aandacht: al in de jaren 90 zijn er afspraken gemaakt om deze te verbeteren en arbeidsongeschiktheid en ziekte verder terug te dringen. Op het punt van het ziekteverzuim scoort de sector dan ook goed (2,6 procent). Hierbij speelt de schaalgrootte van de bedrijven een rol. De arbeidsrisico's en de arbeidsongevallen zijn wel bovengemiddeld.

De genoemde kenmerken dragen er - naast onbekendheid in de maatschappij - mede toe bij dat werken in het cluster een negatief imago heeft. Bij agrarische ondernemers wordt het eerst aan de tuinbouw gedacht, gevolgd door veeteelt. Jongeren associëren de sector met vies en zwaar werk met ongunstige werktijden. Voor een deel betreft het hier beeldvorming. Door de toenemende mechanisering en robotisering wordt op veel plaatsen in het agrocluster het werk lichter. Ofschoon er diverse imagocampagnes lopen, is slechts een kleine minderheid ermee bekend.
Het negatieve imago is weer van invloed op het (beperkte) sectorrendement vanuit de groene opleidingen en de mogelijkheden voor zij-instroom.

Oplossingenmodel
Welke maatregelen kunnen worden genomen om de toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt van het agrocluster het hoofd te bieden? Bij het zoeken naar oplossingen kan gebruik worden gemaakt van de Arbeidsmarktcirkel, die een overzicht biedt van mogelijke instrumenten voor de oplossing van imperfecties op de arbeidsmarkt. De oplossingsrichtingen zijn onderwijs, arbeidsreserves, werkenden en bedrijfsvoering.

Figuur 3: De Arbeidsmarktcirkel (Bron: Stimulus, Economisch StimuleringsProgramma Regio Eindhoven, januari 1999)

grafiek

De volgende haalbare en kansrijke voorstellen zijn uitgewerkt:

  1. Er is meer inzicht nodig in de beweegredenen van leerlingen in het (groene) onderwijs om voor een baan in andere sectoren dan het agrocluster te kiezen. Daarom is er (meer) onderzoek nodig naar de motieven van leerlingen en schoolverlaters.
  2. Overheid, onderwijs en bedrijfsleven moeten gezamenlijk proberen de sectorkeuze bij leerlingen en studenten te beïnvloeden in de richting van opleidingen waaraan het agrocluster in de toekomst behoefte heeft. Dit kan bijvoorbeeld via het organiseren van open dagen en/of excursies bij bedrijven, kwalitatief goede stages, voorbeeldondernemers aan het woord laten op scholen etc. Grootschalige landelijke promotiecampagnes sorteren tot nu toe weinig effect: leerlingen moeten zelf in aanraking komen met het werk in het agrocluster.
  3. Leerlingen die hun mbo-opleiding dreigen te verlaten moet een programma worden aangeboden, waarbij ze zich kunnen oriënteren op andere mbo-opleidingen. Hiertoe moeten 'schakelpunten mbo' worden ingericht. Leerlingen uit groene opleidingen komen zo elders in het mbo terecht, terwijl de groene opleidingen extra instroom vanuit andere opleidingen kunnen verwachten.
  4. Succesvolle voorbeelden van scholing moeten meer en beter binnen het agrocluster worden uitgedragen. Dit kan het best door ondernemers zelf ('voortrekkers') worden gedaan, bijvoorbeeld via netwerkbijeenkomsten en het portretteren van succesvolle ondernemers in publiciteitsbladen.
  5. De aansluiting tussen vraag naar en aanbod van scholing moet worden verbeterd. De beperkte markt voor scholing en de verschillen in vraag tussen de diverse branches/¬teelten leiden ertoe dat vraag en aanbod elkaar moeilijk vinden. Om de versnippering van zowel het aanbod als de financiering van scholing te verminderen, is er meer samenwerking tussen de verschillende agrarische en groene fondsen vereist.
  6. Agrarische ondernemers moeten (nog) meer worden doordrongen van het belang van goed personeelsbeleid in het kader van het werven en behouden van goed personeel. De ervaring leert dat ondernemers die hiermee aan de slag gaan over het algemeen op eigen kracht een eigen personeelsbeleid weten te ontwikkelen en minder problemen ondervinden op de arbeidsmarkt.
  7. Het imago van werken in het agrocluster moet worden verbeterd. Hiertoe moet de sector investeren in goed ondernemerschap en zorgen voor een goed arbeidsvoorwaarden- en personeelsbeleid.
  8. Op het terrein van flexibele arbeid moet de zelfregulering binnen het agrocluster verder worden doorgevoerd. De uitzendbranche, werkgeversorganisaties en vakbonden hebben al de nodige stappen gezet om ervoor te zorgen dat malafide opererende uitzendbemiddelaars uit de sector worden geweerd.
  9. De voorlichting aan arbeidsmigranten op terreinen als arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden moet worden verbeterd.
  10. De huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten moet worden verbeterd. Dit is een belangrijk politiek probleem, omdat gemeenten geen concentraties van Oost-Europeanen wensen. De overheid moet de gemeenten ervan overtuigen dat de Oost-Europeanen van groot belang zijn voor de arbeidsmarkt in het agrocluster en daarmee voor een van onze economische speerpunten. Goede huisvesting is een absolute voorwaarde om deze mensen hier te krijgen.

*Wim Verhoeven is senior account manager Bedrijfsontwikkeling bij EIM, en Peter de Klaver is senior onderzoeker bij Research voor Beleid

 

 

Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,122,439,0,html