Skip navigation

Redactieadres:

Panteia B.V.

Postbus 7001

2701 AA Zoetermeer

T: 079 - 322 22 00

F: 079 - 343 01 01

E: redactie@panteia.nl

Van IOO tot Rekenkamer

'Als het goed is, zijn we niet geliefd'

Door Dr. H. M. Post

"Het tienjarig bestaan van de Stichting Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO) hebben we niet gevierd, wel het vijftienjarig bestaan. Toen hebben we een feestje gehad, daarna nooit meer iets gehoord. Nu dus na vijfentwintig jaar pas weer."

Gerrit de JongGerrit de Jong, collegelid van de Algemene Rekenkamer, lacht en vertelt met milde ironie. Over het begin van zijn carrière, met als tweede baan het IOO en over zijn werk nu bij de Algemene Rekenkamer. Bij IOO (Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven), was hij wetenschappelijk medewerker en later waarnemend directeur van 1 december 1975 tot 1 januari 1981. Alles van na de jaren 70 vindt hij recent en jong. Het statige kantoor van de Rekenkamer aan het Lange Voorhout, dat is pas oud.

"IOO is opgericht in 1968, ik werkte er vijf jaar. Het bestuur bestond in die tijd uit hoogleraren Openbare Financiën zoals Dik Wolfson, Theo Stevers en Dik van Muiswinkel onder leiding van Goedhart. Als er een vacature was bij IOO keken zij elkaar aan:'Heb jij er nog één? Onder het motto: 'Ga jij om onderzoek te doen maar eens naar de leerschool IOO', stuurden ze de beste van hun studenten naar de Stichting. Ze gingen allemaal hetzelfde gangetje, Hans de Boer, Ronald Gerritse, Niko van Niekerk: eerst IOO, dan SER of Financiën en dan verdere carrière.
Het IOO was een klein tentje maar de onderzoeken die wij deden hadden invloed geloof ik. We hebben toen bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de verdeelmaatstaven van het provinciefonds. We dachten dat we het wiel hadden uitgevonden, maar ja, het fonds gaat nu iedere tien jaar op de schop. Het wetenschappelijk bureau van de KVP liet ons een onderzoek doen naar de zin van overheidsuitgaven, geweldig. Hierdoor zijn we echt bekend geworden. De leer van de openbare financiën geeft een aantal handvatten om dat te kunnen beoordelen. Daar hebben we hier nu nog iedere dag plezier van. Het gaat dan om de vraag of het zinvol is dat de overheid bepaalde uitgaven doet, of dat andere instellingen dat misschien beter kunnen doen. En kan er met dat zelfde geld meer bereikt worden en wordt het geld besteed aan dat waaraan men zegt dat het besteed wordt?
Eigenlijk doen we nu bij de Algemene Rekenkamer hetzelfde met doelmatigheidsonderzoek, het lijkt erg op elkaar. Maar toen was het een geheel nieuwe tak van sport. Het kwam overgewaaid uit de VS waar ze veel kritischer waren, daar schrapten ze nog wel eens een programma."

Tante Coba
"Het was in de tijd van 'tante Coba' zoals wij dat noemden. Mevrouw Zandstra, een hoge ambtenaar op financiën, leidde de Commissie Ontwikkeling Beleidsanalyse (COBA) Deze commissie ontwikkelde voor de departementen producten als 'departementale doelstellingsanalyse'. COBA hield zich bezig met strategische planning. Er was naar analogie met het Amerikaanse Planning Programming and Budgeting System (PPBS) een nauwe relatie tussen planning en de financiële invalshoek. COBA werd geen succes omdat er aan de top weinig draagvlak voor was. Toen, begin jaren 70, lukte dat allemaal niet. Jammer, de tijd was er nog niet rijp voor. Als je bij een departement kwam met de vraag 'wat zijn de effecten van jullie beleid?,' nou ja, dan kon je te horen:krijgen: 'hoepel op'. Voor IOO was het pionieren, en zo vind ik dat wij hier bij de rekenkamer nog steeds aan het pionieren zijn als het gaat om effectiviteitonderzoek.
Ik heb het een heerlijke tijd gevonden bij IOO. Drie jaar lang alleen maar onderzoek doen. Daarna werd ik plaatsvervangend directeur. Dat directeurtje spelen is niet mijn favoriete bezigheid, maar ja, pas dan word je goed betaald." (lacht)

Adviesraden de nek omdraaien
"In de Tweede Kamer, waarvan ik van 89 tot 98 lid was, mocht ik mijn eigen stukken schrijven, daar heb ik van genoten.
Met Jeltje van Nieuwenhoven hebben we via een speciale Kamercommissie, die ik voorzat, de wildgroei in adviesraden gesaneerd. Dat was één van de dingen die wel zijn gelukt. Niemand wist toen hoeveel adviesraden er waren, dus zijn we eerst maar gaan tellen. Voor ieder klein onderwerpje was er wel een adviesraad met diverse deskundigen, en vaak hadden ze ook de hele polder aan boord. We hebben toen in de Kamer doorgezet dat er per departement één adviesraad mocht zijn. De SER hadden we er buitengelaten, daar zat geen overheidsgeld in. Sinds 1950 bestond de verplichting over belangrijke sociaal-economische beleidvoornemens advies te vragen aan de SER. Tot 1995 adviseerde de SER de regering over alle zaken die te maken hadden met het sociaal-economische leven in Nederland. Maar in de slipstroom van de adviesradensanering sneuvelde ook de verplichte adviesaanvraag in de wet. De voorzitter van de SER toen, Theo Quené, was er vreselijk boos over en is later ook vertrokken. Maar met de SER ging het goed want in plaats van die verplichte nummers ging men nadenken voordat men advies vroeg.

Taxpayers Watchdog
Sinds 2002 is Gerrit de Jong één van de drie collegeleden van de Rekenkamer.
"Ik vind dat iedere Nederlander moet weten dat de Algemene Rekenkamer een zeer nuttig instituut is. Zolang dit instituut bestaat mag men er gerust op zijn dat het belastinggeld nuttig wordt besteed. Wanneer het niet zorgvuldig wordt besteed komt de Rekenkamer langs. In Engeland heeft de Rekenkamer een korte en veelzeggende missie: Taxpayers Watchdog.
De missie van de Algemene Rekenkamer in Nederland is iets genuanceerder: een korte zin is niet genoeg: 'De Algemene Rekenkamer heeft als doel het rechtmatig, doelmatig, doeltreffend en integer functioneren van het Rijk en de daarmee verbonden organen te toetsen en te verbeteren.' En zo gaat het nog een poosje door. We zijn een introvert instituut en dat moet ook zo blijven, we maken ons eigen programma, hoeven niet van de commercie te leven. Wel doen we vreselijk goed werk. Slecht onderzoek kunnen we ons niet veroorloven, dan worden we acuut neergesabeld.

Dat de meeste Nederlanders niet veel van de Rekenkamer weten, is helemaal niet erg, we zijn geen spelers met sterallures. Men betaalt ons via keurige normen. Het is een sober instituut en dat moet ook zo blijven.
In de 15e eeuw werd de Rekenkamer opgericht om rechtmatigheidonderzoek te doen. De graven van Holland konden hun gevechten niet meer zelf betalen en eisten van de burgers tienden. De burgers op hun beurt wilden weten of dat geld besteed werd aan dat waaraan het gezegd werd besteed te worden. Onze wettelijke opdracht is nog steeds het onderzoek naar rechtmatigheid. Doelmatigheid is erbij gekomen, ik weet nog dat we dat in de comptabiliteitswet hebben gezet. In de jaren 80 bleek dat we een achterstand hadden in de goedkeuring van de jaarrekening van een jaar of acht. Nederland was in dat opzicht een soort bananenrepubliek geworden. De minister van financiën Ruding, de voorzitter van de commissie Rijksuitgaven Engwirda en de Rekenkamer zijn gaan samenwerken om dat op orde te krijgen.
Ruding voerde in 1985 een nieuw comptabel bestel in, waardoor het beheer van en het toezicht op de uitgaven door de afzonderlijke ministeries werd vergroot. Ministeries werden zelf verantwoordelijk voor het opvangen van overschrijdingen van de begrotingen. Op ieder ministerie kwam een eigen accountantsdienst. Onder comptabel bestel wordt het kader van wet- en regelgeving en verstaan, waarbinnen de begrotingscyclus zich afspeelt. Voor deze Operatie Comptabel Bestel was een aanscherping van de Comptabiliteitswet van 1976 nodig. Dit is de wet die de financiële gang van zaken, en de controle daarop, bij het Rijk regelt."

Iedereen blij
"Na de deze Operatie Comptabel Bestel was iedereen blij en was de rechtmatigheid helemaal op orde. Toen heeft de rekenkamer ook de omslag gemaakt niet meer zelf alle rekeningen te controleren maar te leunen op de departementale accountantsdiensten. Dat wil niet zeggen dat als zij getekend hebben en een positieve verklaring geven, de Rekenkamer dat zonder meer overneemt. We onderzoeken niet alle processen en geldstromen tot in detail, we prikken hier en daar, doen een risicoanalyse. Na de derde woensdag in mei, Verantwoordingsdag, komen al de departementale teams hier met hun risicoanalyse voor volgend jaar. Op grond daarvan kiezen we zaken die we extra gaan bekijken. In goed Nederlands heet dit review.
Er wordt gekeken naar rechtmatigheid, naar de kwaliteit van beleidsinformatie en naar de bedrijfsvoering van een departement. Bij de rechtmatigheid heeft de Rekenkamer macht, ze kan bezwaar maken en dan heeft de minister een probleem in de Tweede Kamer. Bij de andere onderwerpen hebben we invloed, nou ja, bij de bedrijfsvoering kunnen we zeggen: 'kom op jongens doe er iets aan, jullie lopen zo'n eind achter'. Op ieder departement heeft de Rekenkamer mensen rondlopen, meestal in de buurt van de departementale auditdiensten, tenminste dat hoop ik. De departementale accountantsdienst (ook wel auditdienst genoemd) is een onderdeel van het ministerie dat onder meer belast is met de controle van het departementale jaarverslag. De helft van onze mensen zit hier aan het Lange Voorhout, de andere helft is verspreid over de ministeries. Ze snuffelen daar rond, zijn onze voelhoorns en zijn daar als het goed is niet geliefd. Dat hoort ook zo."

Vinger tussen de deur
"De rol van onderzoek wordt door beleidsmakers steeds serieuzer genomen,.Dat blijkt uit het instellen van rekenkamers bij gemeenten. Ex post evaluatieonderzoek is onder druk van de Algemene Rekenkamer nu structureel ingebed in het beleidsproces. Maar de lokale rekenkamer is geen kopie van de Algemene Rekenkamer op plaatselijk niveau. Dit vanwege twee dingen. In de eerste plaats doen zij niet het rechtmatigheidsonderzoek en dat is toch backbone, ze doen alleen doelmatigheidsonderzoek. In de tweede plaats mogen, na een amendement van de Kamer, de rekenkamers ook worden vervuld door een commissie die mede uit raadsleden bestaat. Je ziet dat op een gegeven moment al die raadsleden met hun vinger tussen de deur komen. Hoe onafhankelijk is iemand die tegelijkertijd in de raad en in de rekenkamer zit? Dat wordt toch lastig, de volgende keer wil je weer op de lijst, de volgende keer moet je je eigen partij uit de wind houden.
In Den Haag en ook vele andere gemeenten is men er op teruggekomen en hebben ze externe leden. Onafhankelijkheid is het devies."

*Hedda Maria Post is redacteur van BASIS

Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,123,448,0,html