Skip navigation

Redactieadres:

Panteia B.V.

Postbus 7001

2701 AA Zoetermeer

T: 079 - 322 28 07

F: 079 - 343 01 01

E: redactie@panteia.nl

IOO, een terugblik op veertig jaar

Een terugblik op veertig jaar

door dr. J. van der Bij*

Het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (Stichting IOO) is 27 november 1968 opgericht en bestaat dus veertig jaar. Eén van de grondleggers van het IOO was Prof. dr. W. Drees jr. Hij geniet om twee redenen nationale bekendheid: hij was de zoon van de geliefde premier Willem Drees en hij was een van de oprichters van Democratisch-Socialisten 1970 oftewel DS'70. Daarnaast was hij ook een verdienstelijk beoefenaar van de economie van de publieke sector.


iooIn 1955 promoveerde hij op een proefschrift met de titel On the level government expenditure in The Netherlands after the war. De collectieve uitgaven bevonden zich na de Tweede Wereldoorlog tot en met het midden van de jaren 80 van het vorige millennium in een onstuitbare opwaartse spiraal. De verklaring van Wim Drees voor dit verschijnsel was van een aantrekkelijke eenvoud: Belangengroepen bestoken politici voortdurend met wensen voor nieuwe of betere voorzieningen. Politici zien op hun beurt de leden van belangengroepen als kiezers die te vriend gehouden moeten worden. Hierdoor worden wensen snel gehonoreerd. Maar wie waakt ervoor dat de optelsom van al deze verlanglijstjes onbetaalbaar wordt? Wie gaat er piepen als de overheidsfinanciën uit het lood geslagen worden? Helemaal niemand, vreesde Wim Drees. Maar het was een medewerker van de jonge Drees die feitelijk de aanzet gaf tot de oprichting van het IOO. Dit blijkt uit de nagelaten autobiografie van Drees.


'De Nederlandse afdeling van de internationale vereniging het Institut International des Finances Publique heette het Nederlands Instituut voor Openbare Financiën. Mijn Rotterdamse medewerker Gubbi merkte op dat het woord instituut eerder duidt op een permanent bemenste instelling, in een gebouw. Wij vonden dat zowel de belastingen als het overheidstekort al veel aandacht kregen, maar dat er behoefte was aan een instelling die de overheidsuitgaven zou bestuderen. Volgens hem moest het oude Instituut de naam Vereniging krijgen en moesten wij streven naar de oprichting van een Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven, als een duidelijk tegenwicht tegen pressiegroepen.'
En zo geschiedde. De uiteindelijke oprichters waren de toenmalige prominenten op het terrein van de openbare financiën: prof. dr. C. Goedhart, prof. dr. W. Drees jr., prof. dr. Th.A. Stevers en prof. dr. B. Schendstok. Het IOO moest een tegengeluid laten horen en aangeven waar de grenzen van de groei van de collectieve uitgaven lagen. In 1969 ging het IOO feitelijk van start, onder leiding van de directeur De Haan. Enkele grote donateurs (waaronder het Ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank) financierden in hoofdzaak de activiteiten van het IOO. Eén van deze activiteiten was het uitgeven van een eigen blad 'Openbare Uitgaven', dat het nodige aanzien genoot onder beoefenaren van de economie van de publieke sector.

Daarnaast wilde het IOO ook opdrachten uitvoeren voor externen. Het Centrum voor Staatkundige Vorming gaf in 1971 opdracht voor de studie: Verlaging van de verhoging, een onderzoek naar de mogelijke beperking van enige overheidsuitgaven. Deze studie gaf de oorspronkelijke aspiraties van het IOO treffend weer. Het trof ook doel, omdat de formateur Steenkamp van het kabinet Biesheuvel dankbaar gebruik maakte van dit rapport.

Dit rapport illustreerde dat het IOO op twee pijlers rustte: enerzijds de structurele subsidies en donaties en anderzijds de inkomsten uit contractonderzoek voor derden. Naar gelang de tijd vorderde veranderde de onderlinge verhouding. Het accent kwam steeds meer te liggen op de inkomsten uit contractonderzoek. Dit riep wel de vraag op naar het soort onderzoek dat het IOO wilde verrichten. De voorkeur ging uit naar onderzoeken met een lange looptijd, met een zekere wetenschappelijke inslag.

Een bloeiperiode
De beginperiode werd in 1973 afgesloten met het vertrek van de eerste directeur De Haan en de komst van de nieuwe directeur Van der Ende. Het IOO bestaat dan uit een directeur, een onderdirecteur, negen wetenschappelijk medewerkers, twee assistent-onderzoekers en vier administratief medewerkers. Belangrijker dan de omvang van het IOO waren de onderzoeken waarmee de reputatie van het IOO definitief gevestigd werd. Zo werd er in deze periode onder meer onderzoek gedaan naar de gemeentelijke uitgaven voor de bijstand (1976), de bekostiging en aansturing van het personenvervoer (1977) en een vergelijking tussen het huren en het kopen van een huis (1979). Hieruit blijkt dat de onderwerpen ook in de jaren zeventig van de vorige eeuw reeds divers en goed gespreid waren over de verschillende beleidsterreinen. Het onderzoek voor derden nam een grote vlucht en werd ook een steeds belangrijkere bron van inkomsten. Bedroegen de inkomsten uit het 'onderzoek voor derden' in 1970 nog enkele tienduizenden guldens, aan het einde van het decennium overschreden deze inkomsten ruim de grens van 1 miljoen gulden. Deze inkomsten groeiden ieder jaar met gemiddeld 40 procent.

iooIn de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt verder gebouwd aan de reputatie van het IOO met aansprekende onderzoeken, maar sinds 1982 stagneren de inkomsten uit contractonderzoek. In reële termen is er zelfs sprake van een gestage daling. Hiertoe blijft het echter niet beperkt. Ook de structurele subsidies worden in hoog tempo afgebouwd. Alleen de donaties blijven min of meer op peil. De stagnerende inkomsten en de overschrijdingen van budgetten, zorgen voor een sluipende erosie van het bedrijfseconomisch fundament van het IOO.

De gedegen en beleidsrelevante onderzoeken blijven echter een positieve bijdrage leveren aan de uitstraling van het IOO. Het was bijvoorbeeld de tijd van de grote verdeelonderzoeken, zoals Verdeling in verandering uit 1981, dat als basis diende voor een andere verdeling van de middelen uit het Gemeentefonds. Ook andere studies trekken de aandacht, zoals De prijs die betaald moet worden voor de onderwijspacificatie uit 1985.

De jaren negentig: een moeilijke periode
In het begin van de jaren negentig slaat het IOO deels een andere richting in. Er worden goede econometristen en kwantitatief onderlegde algemeen economen aangetrokken, die garant staan voor de wetenschappelijke kwaliteit van het IOO. Het IOO is in deze periode sterk op terreinen als verkeer & vervoer, cultuur, onderwijs en de gezondheidszorg. Er verschijnen studies over de prijselasticiteit van uiteenlopende vormen van vervoer, de voor- en nadelen van rendementsbekostiging in het onderwijs en het IOO rekent duchtig aan het dan nog bestaande Ziekenfonds. Dit alles leidt de aandacht van de buitenwereld af van de als maar zwakker wordende financiële basis van het IOO. Maar de trend die ingezet is in de jaren tachtig, is niet meer te keren. De inkomsten uit contractonderzoek hebben in reële termen nooit meer het peil van de jaren zeventig bereikt, de subsidies zijn voorgoed verdwenen en zelden kon een project afgerond worden binnen de uren die daarvoor stonden. Een lichtpuntje vormt de aanschaf in 1995 van het pand Oranjestraat 8 in Den Haag. Het is een sfeervolle kantoorvilla met enig achterstallig onderhoud. De villa blijkt echter een goede belegging te zijn.

Eind 1996 besluit de Stichting IOO om de krachten te bundelen met het EIM in Zoetermeer. De stichting en EIM besluiten met ingang van 1 april 1997 een gezamenlijke onderneming op te richten in de vorm van een besloten vennootschap, die zich bezig zal houden met het uitvoeren en bevorderen van onafhankelijk en wetenschappelijk verantwoord contractonderzoek gericht op de publieke sector. Van 1997 tot eind 2001 was zowel EIM als Stichting IOO aandeelhouder van het onderzoeksinstituut IOO bv. Met ingang van 2002 is EIM de enige aandeelhouder van het IOO. De zuiver wetenschappelijk getinte activiteiten zoals het uitgeven van het blad Openbare Uitgaven en het Jaarboek Overheidsfinanciën worden voortgezet door de Wim Drees Stichting. Het IOO gaat zich exclusief richten op het verrichten van toegepast onderzoek op het terrein van de economie van de publieke sector.

Heden en toekomst
Het IOO trok aanvankelijk in bij het EIM in Zoetermeer. Nadat Research voor Beleid en het EIM de krachten bundelden, heeft het IOO ook nog enige jaren in Leiden kantoor gehouden (eind 2004 - eind 2007). Inmiddels is het IOO één van de werkmaatschappijen van Panteia. De andere werkmaatschappijen zijn naast het eerder genoemde EIM en Research voor Beleid, NEA, IPM, Stratus en Consult. Deze werkmaatschappijen huizen onder één dak in een nieuwe vestiging in Zoetermeer. Zo op het eerste gezicht lijkt er veel veranderd in veertig jaar. Toch zijn de overeenkomsten groter dan de verschillen.

Nog steeds levert het IOO op basis van onafhankelijk onderzoek een bijdrage aan de vergroting van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de publieke sector. Het IOO is en blijft ook een zelfstandige speler op de markt voor onderzoek op het terrein van de economie van de publieke sector. Traditionele onderzoeksproducten zoals het ontwikkelen van verdeelmodellen voor tal van overheidssectoren zijn gebleven. Ook de doeltreffendheid en doelmatigheid van uiteenlopende overheidsprogramma's worden door het IOO nog steeds frequent geëvalueerd. Er zijn ook onderzoeksthema's bijgekomen, zoals de administratieve lasten en overige nalevingskosten van regelgeving. De klanten zijn deels dezelfde gebleven, bijvoorbeeld de Tweede Kamer en de Ministeries. Gelukkig heeft ook hier een partiële vernieuwing van het klantenbestand plaatsgevonden, met een uitbreiding naar rekenkamers en rekenkamercommissies, gemeenten en provincies.

De belangrijkste constante in de geschiedenis van het IOO zijn echter de medewerkers. Niet in de zin dat de medewerkers van het eerste uur nog steeds werkzaam zouden zijn bij het IOO. Wel in die zin dat de huidige generatie onderzoekers met dezelfde nieuwsgierige en kritische blik kijkt naar de zin en onzin van de overheidsuitgaven. Dit is ook de beste garantie voor de toekomst van het IOO.

*Jan van der Bij is directeur van het IOO

Bronnen
Drees, W., On the level government expenditure in The Netherlands after the war, Leiden, 1955.
Drees, W., Gespiegeld in de tijd: De nagelaten autobiografie, Amsterdam, 2000.

Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,123,449,0,html