Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Inzet onorthodoxe databronnen nodig
Door Douwe Grijpstra*
Op de arbeidsmarkt slaat de kredietcrisis hard toe. De werkloosheid dreigt de komende jaren aanzienlijk op te lopen. Daartegenover staat dat demografische ontwikkelingen op den duur tot aanzienlijke tekorten aan goed opgeleid personeel leiden.
De ene regio heeft meer last van de crisis dan de andere en ook demografische ontwikkelingen verschillen per regio. Regionale beleidsmakers moeten hun eigen arbeidsmarktbeleid inrichten. Daarvoor hebben centrumgemeenten, onderwijsinstellingen zoals de ROC’s, en het regionale bedrijfsleven actuele informatie over (verwachtingen voor) de regionale arbeidsmarkt nodig. En die actuele informatie is er vaak niet. De vraag is: hoe komt die informatie er wel? Het antwoord is: niet alleen leunen op traditionele gegevensleveranciers als het CBS, maar ook de mogelijkheden van andere databronnen exploreren.
Kredietcrisis, demografie en arbeidsmarkt
Het spook van de kredietcrisis waart door het land. Veel meer dan voorgaande crises geeft ze de arbeidsmarkt een flinke tik. Reorganisaties en faillissementen leiden tot massa ontslagen. In februari berekende het Centraal Planbureau dat de werkloosheid in 2010 zou oplopen tot 8,75 procent. Mogelijk is zelfs dit doemscenario nog optimistisch. Heel veel mensen raken hun baan kwijt. Op de langere termijn ligt het probleem omgekeerd: een grote krapte aan personeel dreigt. Zoals deze zomer ook de Commissie Bakker liet zien, is het nodig forse aantallen grijze werknemers te vervangen maar komen er weinig jongeren beschikbaar. Bovendien wil de arbeidsmarkt steeds meer goed opgeleide mensen. Vooral aan hbo’ers en aan mbo’ers op vakspecialistenniveau ontstaan tekorten. Dit betekent dat het nodig is de mensen die nu op straat komen voor de arbeidsmarkt te behouden, zeker wanneer het hoger opgeleiden of vakspecialisten betreft. Anders opgeleide slachtoffers van de crisis zouden naar dat niveau geschoold moeten worden.
Het gebeurt op de regionale arbeidsmarkt
Er ontstaan, meer dan voorheen, stevige verschillen tussen de arbeidsmarkten van regio’s. De ene regio heeft meer last van de kredietcrisis dan de andere, terwijl ook de ene regio meer dan de andere te maken krijgt met de vergrijzing. Dit laatste kan komen doordat de bevolking gemiddeld oud is, bijvoorbeeld in Zuid-Limburg, maar ook doordat er naar verhouding veel hoger opgeleide ouderen werken zoals in Haaglanden.
Discrepantie is er ook op niveau van het (middelbaar) beroepsonderwijs. Immers: gemeenten en UWV WERKbedrijf krijgen te maken met veel nieuwe werklozen op mbo-niveau en de ROC’s en de hogescholen moeten de vakspecialisten opleiden. Deze partijen opereren regionaal. Vooral de mbo’ers, maar ook vrouwen met een hbo-opleiding die werken in de zorg en het onderwijs, willen voor hun werk vaak niet verder reizen dan binnen de eigen regio. Nederland is in te delen in ongeveer 25 arbeidsmarktregio’s waarbinnen veruit de meeste bewegingen op de arbeidsmarkt plaatshebben. Als er al tussen regio’s gependeld wordt, is dat door de hoger opgeleiden, maar behalve in en om de Randstad, gaat het om kleine aantallen.
De regionale partners, vaak onder aanvoering van de zogeheten centrumgemeenten, moeten dus op hun regio toegespitst beleid maken en uitvoeren. Daarvoor hebben ze inzicht in de arbeidsmarkt nodig. Ze moeten weten waar de klappen vallen en in welke beroepen en sectoren juist een tekort aan werknemers bestaat of ontstaat.
Actuele informatie nodig
Voor regionaal toegespitst beleid is actuele informatie nodig. De kredietcrisis hakt er zo stevig in dat rapporten van oktober 2008 inmiddels zijn verouderd. De komende jaren is het zaak constant een vinger aan de pols te houden. Zowel qua aantal werklozen (nieuwe reorganisaties) of qua aantal en aard van de vacatures kan het beeld snel veranderen.
Probleem is dat veel aanbieders van arbeidsmarktinformatie niet-actuele data leveren. En als er wel actuele gegevens zijn, weet de regionale stakeholder vaak niet waar hij voor informatie moet aankloppen en sluit de beschikbare informatie bovendien vaak niet goed aan bij wat hij eigenlijk wil weten.
Informatiebehoefte: vraag en aanbod
Wat is de informatiebehoefte van regionale arbeidsmarktpartijen?
Ten eerste vacatures: men wil weten waar er nu en in de toekomst vacatures zijn en welke daarvan nu al lastig in te vullen zijn. Ten tweede werkgelegenheid: hoe gedraagt zich de vraag naar arbeid in de huidige en toekomstige ontwikkeling van de werkgelegenheid? Hieruit is de uitbreidingsvraag te berekenen, hoewel die in een periode van crisis ook negatief kan zijn. Een beeld van de opbouw van de werkzame beroepsbevolking naar bepaalde beroepen en sectoren is ook nodig. Uit het aantal oudere werknemers valt af te leiden welke werknemers de komende jaren moeten worden vervangen.
De informatie over het arbeidsaanbod heeft enerzijds betrekking op wie nu al beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Dat zijn werkloze werkzoekenden, maar ook werkenden die naar ander werk zoeken of met ontslag worden bedreigd. Anderzijds is interessant wie er voor de arbeidsmarkt beschikbaar komen. Bij het laatste gaat het vooral om de vele gediplomeerden (en helaas ook niet-gediplomeerden) die er jaarlijks uit het onderwijs uitstromen.
Stakeholders op de regionale arbeidsmarkt hebben verder inzicht nodig in hoe vraag en aanbod samenkomen. De sleutel daarbij is het beroep of kwalificatie. Zowel de vacature als de werkzoekende is immers in de vorm van een beroep en/of kwalificatie te kenschetsen. Het zou nog beter zijn informatie te hebben over de aangeboden en gevraagde competenties, maar statistische informatie over gevaagde en beschikbare competenties lijkt op afzienbare termijn niet beschikbaar.
Aansluiting tussen vraag en aanbod per beroep/kwalificatie naar sectoren moet regionaal vertaald worden, zodat bedrijven inzicht krijgen in de aard en omvang van hun knelpunten en mogelijkheden in de personeelsvoorziening op de regionale arbeidsmarkt.

Lacunes in de beschikbare informatie
Men zou dus bij voorkeur actuele informatie over vraag en aanbod op de regionale arbeidsmarkt hebben op het niveau van kwalificaties/beroepen. Helaas zijn er nog lacunes in de beschikbaarheid van deze informatie. UWV WERKbedrijf biedt weliswaar actueel inzicht in de vacatures die het zelf in behandeling heeft, maar heeft geen recente informatie over de (aanzienlijke) rest van de vraag naar arbeid. Het CBS heeft sowieso beperkte informatie over de regionale vraag op de arbeidsmarkt en loopt met publicaties daarover flink achter. Wel zijn de CBS-cijfers vertaald in prognoses, maar die prognoses hebben twee problemen: ze zijn niet actueel genoeg en vaak ook niet beschikbaar op het aggregatieniveau van de circa 25 arbeidsmarktregio’s.
Ook informatie over aanbod van arbeid is op regionaal niveau vaak beperkt beschikbaar. Opnieuw biedt UWV WERKbedrijf actuele informatie: over niet-werkende werkzoekenden. Daarbij ontbreken echter veel jongeren die zich voor een uitkering niet hoeven inschrijven.
Zoals gezegd zijn ook op regionaal niveau gegevens nodig over welke schoolverlaters beschikbaar komen. Dat begint met inzicht in de huidige aantallen leerlingen. Het Ministerie van Onderwijs heeft de afgelopen jaren de kwaliteit van - ook via het CBS beschikbare - informatie over deelnemers en gediplomeerden van het beroepsonderwijs sterk verbeterd. Deze gegevens zijn tegenwoordig niet alleen gekoppeld aan het ROC of de hogeschool die men bezoekt, maar ook aan de plaats waar men woont. Bekend is wie er onderwijs volgen en het diploma halen. Probleem is wel dat alleen op landelijk, en niet op regionaal niveau informatie is over wat gediplomeerden na het behalen van hun diploma gaan doen. Vervolgen de afgestudeerden hun opleiding of gaan ze werken? En ligt dat werk dan in het verlengde van de opleiding?
Ten slotte zou het goed zijn meer te weten over de mobiliteit van werkenden tussen bedrijven, beroepen en sectoren, over de beschikbaarheid van potentiële herintreders op de arbeidsmarkt en over de aantallen migranten die in een bepaalde regio (komen) werken. Dit soort gegevens is op landelijk niveau al niet beschikbaar, laat staan op regionaal niveau, om maar te zwijgen van het niveau van beroepen/kwalificaties.
Middelen en (administratieve) lasten
Het is vooralsnog niet te verwachten dat van het Centraal Bureau voor de Statistiek, de belangrijkste bron van statistische informatie in Nederland, meer data over de regionale arbeidsmarkt beschikbaar komen. De huidige CBS-enquêtes zijn de laatste jaren qua omvang uitgekleed en om diverse redenen stelt het CBS het zogenaamde Sociaal Statistisch Bestand pas enkele jaren na het jaar waarop de data betrekking hebben, beschikbaar.
Willen regio’s regionale arbeidsmarktinformatie hebben, dan zullen ze dus wat anders moeten verzinnen. Inzet van het enquêtemiddel is daarvoor vaak geen oplossing. Om informatie over alle relevante kwalificaties op regionaal niveau te vergaren, is zeer fors onderzoek nodig. Het goedkoopst is een internetenquête onder bedrijven, maar daar hoef je bij een groot deel van het MKB niet mee aan te komen. Er is een gecombineerde inzet van internet-, schriftelijke en telefonische enquêtes nodig, en om informatie over alle relevante kwalificaties/functies te krijgen, kost dat al snel vele tienduizenden euro’s. Bedenk daarbij dat sommige regio’s een onderzoek van nog geen 20 duizend euro al duur vinden. Bovendien brengen enquêtes niet alleen voor de stakeholders, maar ook voor de respondenten kosten (tijd is geld) met zich mee. Nu zijn het niet alleen de regionale partijen die arbeidsmarktinformatie verzamelen. Er zijn andere partijen zoals landelijke bedrijfstakorganisaties of kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven, die enquêtes bij bedrijven uitvoeren. De daarmee verzamelde data zouden mede als basis voor regionale arbeidsmarktanalyses kunnen dienen, maar dan is wel nodig dat ze ook voor de regio beschikbaar komen.
Regionaal arbeidsmarktonderzoek anno 2009
Uiteraard brengen regio’s ook nu al de arbeidsmarkt in kaart. Hierbij zijn in grote lijnen drie typen van benadering te onderscheiden:
1. De regio gebruikt de wel aanwezige bronnen: CBS van één of twee jaar geleden, de recentste gegevens van het WERKbedrijf, de tabellen uit het Landelijk Informatiesysteem Arbeidsplaatsen Werkgelegenheidsregister, etc. Daarop volgt vaak een modelmatige aanpak: met behulp van econometrische modellen schat een ingehuurd bureau in hoe de arbeidsmarkt er op dat moment en in de toekomst uitziet. Probleem bij de benadering is, dat de beschikbare data vaak te beperkt van celvulling zijn om juist op het niveau van kwalificaties/beroepen de aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt regionaal te schatten. Wil men wel op dat niveau informatie, dan wordt het onderzoek onbetrouwbaar, en vaak ook duur vanwege de vele bewerkingen van bestanden die nodig zijn.
2. Een tweede aanvliegroute is de gegevens van CBS, WERKbedrijf e.d. aan te vullen met andere databronnen. Voor sommige sectoren zijn bijvoorbeeld enquêtes of berekeningen op basis van data uit pensioenfondsen of salarisadministraties beschikbaar. Een handige databron is verder de actueel beschikbare registratie van personeelsadvertenties door Nielsen Media Research. Op deze manier slaagt de organisatie voor Economisch en administratief beroepsonderwijs met behulp van de onderzoeksbureaus E’til en Research voor Beleid/EIM er in voor de administratieve en ICT-functies een redelijk betrouwbare inschatting te maken van de regionale aansluiting tussen vraag en aanbod. Daarvoor is een internetenquête nodig die op landelijk niveau vacatures meet. De gecombineerde inzet van de registraties van Nielsen en WERKbedrijf biedt niet voor alle kwalificaties/beroepen soelaas: sommige sectoren vervullen hun vacatures vooral via netwerken, open sollicitaties of uitzendbureaus. Verder moet de onderzoeker de verhouding tussen de opgetelde personeelsadvertenties en de WERKbedrijf-vacatures en de totale vacaturemarkt schatten. Die verhouding ligt voor iedere regio anders.
3. Een laatste aanpak is om in een regio eerst vast te stellen welke sectoren/segmenten van de arbeidsmarkt nadere analyse behoeven. Vervolgens vinden de nodige expertinterviews met stakeholders op de regionale arbeidsmarkt in die sector plaats en zoekt het onderzoeksbureau gericht naar relevante beschikbare cijfers, eventueel samen met een gerichte enquête. Deze methode levert handvaten voor beleid in de betreffende sector. Het is een grote klus alle sectoren in een regio te belichten en de onderlinge vergelijkbaarheid blijft daarbij lastig.
Vacatures op het internet
Een alternatief om meer inzicht te krijgen in de vraagkant van de arbeidsmarkt, lijkt de analyse van vacatures op internet. Bijna alle openstaande vacatures zijn te vinden op de verschillende vacaturesites en op de websites van bedrijven. Analyse van internetvacatures kent echter de nodige problemen. Ten eerste zijn internetvacatures soms lastig aan een regio toe te schrijven, bijvoorbeeld omdat de vacature voor reacties alleen verwijst naar een e-mailadres of een 0900-nummer of omdat een wervingsbureau als tussenpersoon optreedt.
Ten tweede is het niet goed te verklaren dat het aantal vacatureadvertenties op internet van welhaast astronomische proporties is. In 2008 telde Nielsen Media Research 1.167.446 meldingen van vacatures op de acht grootste vacaturesites (ter vergelijking: Nielsen registreerde 165.858 personeelsadvertenties vanuit de printmedia (excl. de huis-aan-huisbladen). Extrapoleert men het aantal vacatures naar de totale Nederlandse vacaturemarkt, dan komt men uit op een aantal dat ongeveer 50 procent hoger ligt dan dat van het CBS. Terwijl het aantal vervulde vacatures van het CBS meestal redelijk overeenkomt met het aantal baanwisselingen volgens datzelfde CBS.
Eerst moet er onderzoek gedaan worden naar de achtergrond van het verschil voordat men gebruik kan maken van de data over internetvacatures. De reden voor het verschil zal niet simpelweg zijn dat bedrijven met het plaatsen van vacatures publiciteit willen halen, want plaatsingen op vacaturesites kosten geld en reacties moeten worden verwerkt. Een verklaring kan zijn dat voor veel openstaande vacatures geen kandidaten zijn te vinden. Bedrijven werven alleen via het relatief goedkope internet wanneer ze van andere kanalen weinig verwachten.
Verbetering kwaliteit van regionale arbeidsmarktinformatie
Een diepgaande analyse van de betekenis van internetvacatures staat hoog op mijn verlanglijstje van activiteiten die ervoor kunnen zorgen dat regio’s betere informatie krijgen over hun arbeidsmarkt.
Andere zaken die voor betere arbeidsmarktgegevens voor regio’s kunnen zorgen zijn:
1. Verdere exploratie van de mogelijkheden om de (Nielsen-)registratie van personeelsadvertenties te gebruiken. Hiervoor zijn verschillende opties: ook registreren van vacatures uit huis-aan-huisbladen, gedegen vergelijking met de vacatures van het WERKbedrijf en met de internetvacatures, enquêtes onder bedrijven om te zien welke andere kanalen ze in combinatie met personeelsadvertenties/WERKbedrijf gebruiken en wanneer ze alleen andere kanalen inzetten.
2. Ook kan men misschien afspraken maken met uitzendondernemingen het vacatureaanbod bij hen dusdanig in kaart te brengen dat er geen concurrentiegevoelige informatie wordt verspreid.
3. (Verdere) analyse van hoe arbeidsmarktinformatie ontleend kan worden aan registraties van UWV, Belastingdienst, pensioenfondsen en salarisadministraties. Gezien de privacygevoeligheid van deze gegevens zou het CBS hierbij het voortouw moeten nemen/houden. De snelheid waarmee gegevens beschikbaar komen moet dan wel behoorlijk opgevoerd worden.
4. Onderzoek naar manieren om de activiteit op de arbeidsmarkt van de groep jongeren tot 27 jaar beter in kaart te brengen. Met een toeleiding van jongeren naar een geschikte positie op de arbeidsmarkt, is veel winst te boeken. Doordat het voor veel jongeren niets oplevert zich te registreren bij het WERKbedrijf, is het zicht op juist deze groep grotendeels weg. Dit zicht terughalen zou met een eenduidige enquêtering van gediplomeerde schoolverlaters kunnen gebeuren. Koepels van het (middelbaar) beroepsonderwijs als mbo-raad, hbo-raad en Colo zouden dat kunnen organiseren.
5. Onderzoek naar het arbeidsaanbod van anderen dan schoolverlaters en niet-werkende werkzoekenden: herintreders, overige niet-uitkeringsgerechtigden, immigranten, werkenden op zoek naar ander werk, etc. Van 1992 tot 2004 liep bij Arbeidsvoorziening/CWI (de voorlopers van het WERKbedrijf) het onderzoek “Hoe Zoeken Werkzoekenden?” dat eerst ook op regionaal, maar later in ieder geval op landelijk niveau meer inzicht bood in de arbeidsmarktdynamiek van dit arbeidsaanbod. In de huidige crisistijd, maar ook wanneer de arbeidsmarkt over een aantal jaren naar een vraagoverschot kantelt, is dergelijk inzicht hard nodig. Meer dan voorheen kan natuurlijk de internetenquête een rol spelen in dergelijk onderzoek.
Het zal lastig zijn, gegeven de verschillende bronnen, definities en perioden, hieruit per regio direct een volledig beeld per kwalificatie/beroep te bieden. Onderzoeksinstellingen moeten daarna nog een slag maken en methoden ontwikkelen om uit al deze input de meest betrouwbare en bruikbare regionale arbeidsmarktinformatie te destilleren.
Kortom
De centrale overheid zou snel moeten onderzoeken hoe met een combinatie van oude en nieuwe (onorthodoxe) methoden betrouwbare informatie geleverd kan worden om de regio’s van de arbeidsmarktinformatie te voorzien die ze nodig hebben (namelijk de regionale aansluiting per kwalificatie/beroep). Als we iets hebben geleerd van de voorgaande crisis, dan is het dat we alles op alles moeten zetten mensen die hun baan (dreigen te) verliezen, snel weer aan (ander) werk te helpen en/of zo nodig bij te scholen: goede regionale arbeidsmarktinformatie is daarvoor - zeker gezien de grote verschillen in arbeidsmarktproblematiek tussen regio’s - onontbeerlijk.
*Douwe Grijpstra is directeur van Research voor Beleid
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,125,463,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2012