Skip navigation

Redactieadres:

Panteia B.V.

Postbus 7001

2701 AA Zoetermeer

T: 079 - 322 22 00

F: 079 - 343 01 01

E: redactie@panteia.nl

Practice what you preach

De meerwaarde van samenwerking tussen onderzoekers en ondernemers

Relevant is wat ik relevant vind. Onderzoek naar netwerkstructuren is relevant omdat er maatschappelijke problemen bestaan die met mijn netwerkaanpak wat minder problematisch kunnen worden.”

Door Dr. H. M. Post

Professor Oerlemans is zeer stellig in zijn uitspraken. Hij doet onderzoek naar tijdelijke samenwerkingsverbanden in het bedrijfsleven. En hij doet wat hij predikt: hij verricht onderzoek naar tijdelijke samenwerkingsverbanden binnen het MKB samen met het onderzoeksbureau EIM, in een tijdelijk samenwerkingsverband.

Hoogleraren huizen over het algemeen in sobere kamertjes op de universiteit, onvergelijkbaar met de directiekamers in het bedrijfsleven. Ook de kamer van Leon Oerlemans zal niet groter zijn dan drie bij vier. Grappig dat juist het samenwerken met een hoogleraar of een universiteit cachet geeft aan het bedrijfsleven.

Gij zult geciteerd wordenoerlemans

In zijn oratie, die hij in 2007 hield bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap aan de Universiteit van Tilburg, refereerde Oerlemans aan het vaak gehoorde geluid dat de kennisinfrastructuur (het gebruik van kennisinstellingen zoals universiteiten en hogescholen) weinig bijdraagt aan het innovatieve vermogen van het Nederlandse bedrijfsleven.

“Ja, dit geldt tot op zekere hoogte ook nu nog, in 2010. Ik denk dat dit te maken heeft met de productielogica. Want wat wil de ondernemer? Hij wil snel een antwoord hebben op een toegespitst probleem, terecht. Aan de meeste universiteiten worden de onderzoekers echter afgerekend op het aantal Engelstalige publicaties dat ze maken. De antwoorden die ze formuleren voor de ondernemer ‘gelden niet’ in de universitaire productielogica. Op veel universiteiten speelt het traditionele onderscheid tussen toegepaste en fundamentele wetenschap. De productielogica luidt: gij zult geciteerd worden en gij zult zoveel per jaar publiceren, zo niet dan pakt men u uw onderzoekstijd af en mag u onderwijs gaan geven.

Persoonlijk vind ik dat beide vormen van wetenschap nodig zijn, de fundamentele naast de wetenschap ten dienste van de samenleving. Voordat ik aan de universiteit kwam heb ik zes jaar lang contractonderzoek gedaan voor gemeenten en provincies. Dat was door derden betaald onderzoek. Het verschil met wat ik nu doe, is dat ik nu zelf bepaal welk onderzoek ik doe. Of dat maatschappelijk relevant is, is niet bepalend en soms niet belangrijk. Soms is het omdat het een leuk onderwerp is en ik er enthousiast van word. Intrinsiek gemotiveerde onderzoekers zijn vaak goede onderzoekers. In die zin ben ik voor het systeem van afgerekend worden op publicaties. Maar ik heb ook aarzelingen, wij souperen heel wat belastinggeld op en adeldom verplicht. Dus doe ik met enige regelmaat maatschappelijk relevante dingen, en meer mensen van mijn “department” doen dit. Het is onderdeel van het spel, maar wij worden er niet voor beloond.”

Wie doet me wat?

“Het op output van publicatie en citatie gerichte systeem is een tijd lang heel goed geweest voor de universiteiten. Toen ik begin jaren negentig na mijn contractwerk aan de universiteit kwam - ik kwam dus uit een commerciële omgeving - viel mijn mond open van verbazing. De mensen zaten daar maar wat te doen. In mijn ogen was er geen enkele sturing, geen enkel doel. Er zat geen enkele prikkel in het systeem. Intrinsieke motivatie was er maar bij een enkeling en werd verder niet gestimuleerd. Er heerste een sfeertje van ‘wie doet me wat’, ‘als ik een boek over dromen wil schrijven, doe ik dat toch?’, en ‘wanneer ik in werktijd bijklus voor particulieren dan moet ík dat toch weten?’ Die ongebreidelde vrijheid was voor al die slimme jongens en meisjes helemaal niet goed. Er kwam een tegenbeweging en alles ging gecontroleerd en geformaliseerd worden. We leven nu in die tijd van controle en bovendien in de waan dat we Amerika moeten zijn. We imiteren de top vijf van de Amerikaanse universiteiten. De rest van de Amerikaanse universiteiten is niet zo georganiseerd. Die zeggen ook: zijn jullie helemaal gek geworden daar in Nederland? Maar om de vrijblijvendheid uit het systeem te krijgen is het goed geweest.”

Een ander weefsel

“Nu zijn we weer op een omslagpunt. We moeten publiceren en het lijkt niet uit te maken in welk blaadje. Elk systeem genereert zo zijn eigen perversiteiten. Persoonlijk heb ik er niet zoveel problemen mee; het gaat erom hoe je erin staat. Ik heb altijd voor maatschappelijke partijen gewerkt. Ik vind dat ik voor het dure geld dat men mij betaalt kwaliteit moet leveren. Dit vertaalt zich in onderwijs en in relevant onderzoek en noch het een noch het ander kan zonder focus. Relevant is wat ik relevant vind. Onderzoek is ook relevant omdat er maatschappelijke problemen bestaan die met mijn netwerkaanpak wat minder problematisch kunnen worden. Een voorbeeld van tijdelijke netwerken en organisaties is de scheepsbouw. Elke bouw van een schip is in feite een tijdelijke organisatie. Een aantal partijen wordt op tijdelijke basis bij elkaar gebracht om samen een schip in elkaar te zetten. China haalt ons in de scheepsbouw nu rechts en links in, ze zijn goedkoper en soms ook beter. In Nederland hebben we te lang gedacht dat, als we de kennisintensieve zaken en processen blijven beheersen, we het wel redden. Maar de scheepsbouwers beseffen dat het niet goed gaat en wij helpen hen met nadenken hoe ze onderling beter kunnen samenwerken, zodat ze sneller werken, goede producten kunnen leveren en ook kunnen innoveren. Daarin investeren we, we zetten twee promovendi op dat project. Het universitaire belang en het maatschappelijk belang worden tegelijkertijd gediend. De wisselwerking die ontstaat, zorgt voor meerwaarde.

Een ander voorbeeld - nog uit de tijd dat ik in Eindhoven aan de TU werkte - is Operatie Centurion, een grootscheepse reorganisatie van het gehele Philips-concern in de jaren negentig. Toen het netwerkweefsel van Philips uit elkaar viel, hebben we met studenten onderzoek gedaan naar innovatie en samenwerking bij middelgrote en kleine bedrijven. We hebben er mede voor gezorgd dat de kleine jongens, die zo afhankelijk waren van die grote jongen (Philips), hun eigen product op de markt konden brengen. We werkten mee aan een totaal ander industrieel weefsel.

Een derde voorbeeld is het project om parkeerplaatsen langs de snelwegen veiliger te maken. Hier heeft een afstudeerder het organisatienetwerk in kaart gebracht, en is gekeken hoe dat functioneert. Al snel werd duidelijk dat een aantal betrokken partijen, zoals de gemeente, natuurbeheer en de oliemaatschappijen, niets ondernam, omdat - zo bleek - zij er vanuit gingen dat Rijkswaterstaat de dominante positie had en alles wist en wel zou regelen. We hebben de situatie daar vergeleken met de slagings- en succesfactoren van samenwerking uit de literatuur en op basis van die vergelijking aanbevelingen gedaan.”

De zoveelste enquêteur die langskomt

“Universitaire onderzoekers kunnen, wanneer ondernemers tijd hebben om het antwoord af te wachten, een effectieve bijdrage leveren. We hebben in Nederland de zaken zo georganiseerd dat er kennistransfer is en dat die kennis bruikbaar is. Er zijn wetenschapswinkels, kennistransfercentra en rechtswinkels. Lang niet ieder probleem van een ondernemer is een academisch probleem. Ook de hbo-transferpunten spelen een belangrijke rol, zij hebben vaak toegepaste directe oplossingen. Het vaak gehoorde geluid dat de kennisinfrastructuur weinig bijdraagt aan het bedrijfsleven kan dus wel wat genuanceerd worden.

Ik ben erg voor het practice what you preach. Als je veel over samenwerking weet en vervolgens met niemand samenwerkt, doe je iets verkeerd. Ik denk dat wij in het onderzoek naar tijdelijke samenwerkingsverbanden in het midden- en kleinbedrijf met EIM een goede symbiose hebben gevonden. Ons beider belang wordt gediend. EIM en de Universiteit van Tilburg vormen een alliantie. Belang voor ons is dat een van de moeilijkste dingen in het wetenschappelijk bedrijf, namelijk goede data verkrijgen, wordt opgelost. Vooral op het gebied van organisaties is het verkrijgen van data niet gemakkelijk. Je bent de zoveelste enquêteur die langskomt. Ze zijn je liever kwijt dan rijk en ik snap dat heel goed. We hebben met EIM een flexibele vorm van samenwerken. Er zijn rondes van dataverzameling: de onderwerpen voor de vragenlijsten worden door ons bedacht, waarna we, geholpen door onze samenwerkingspartner, de vragenlijst ontwikkelen. Zij leveren vervolgens de data en gezamenlijk maken we publicaties. Op onderwerpniveau, op dataniveau en op uitkomstniveau is het dus interessant. Om met de uitkomsten van dit onderzoek het MKB effectief te informeren of te kunnen helpen, daar is het nu nog te vroeg voor. Over een tijdje organiseren we een conferentie als een manier om kennis te verspreiden

In het wetenschappelijk veld zijn we de eersten in Europa die met zo’n grootschalig onderzoek naar temporary organisations bezig zijn. In de literatuur is er nog niet over geschreven. We staan aan het begin en zijn nog zoekende.”

schroef

De kans dat ik je belazer is groot

“Het belang voor Nederland van dit onderzoek is groot. Negentigduizend MKB-bedrijven zijn betrokken bij tijdelijke samenwerkingsverbanden. Er is sprake van een tijdelijk samenwerkingsverband wanneer twee of meer organisaties samenwerken aan het uitvoeren van een bepaalde taak of het realiseren van een bepaald doel, waarbij vooraf is afgesproken wanneer deze samenwerking zal aflopen, en waarbij alle partijen een deel van het risico dragen. Wat nadrukkelijk niet als een tijdelijk samenwerkingsverband wordt beschouwd, is het uitbesteden van werk. Tijdelijke samenwerkingsverbanden zijn niet per definitie gericht op innovatie. In de publieksrapportages staat een volgende beschrijving:

‘Belangrijkste reden(en) om deel te nemen aan een tijdelijk samenwerkingsverband is innovatie, omzetverhoging, netwerkuitbreiding, nieuwe kennis opdoen, toegang krijgen tot nieuwe markten en op de hoogte blijven van relevante ontwikkelingen.

Betrokken organisaties spreken op voorhand af wanneer de samenwerking stopt. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen taakgerelateerde en tijdgerelateerde beëindiging. In de praktijk komen ze even vaak voor en duurt de samenwerking gemiddeld 45 maanden.

De meeste organisaties werken serieel samen. Een tijdelijk samenwerkingsverband staat meestal niet op zichzelf. Veruit de meeste organisaties verwachten dat de samenwerking zich ook na afronding van het project zal voortzetten. Dat samenwerkende partijen vaak al langer met elkaar bekend zijn, is er mogelijk de oorzaak van dat vaak op informele wijze wordt samengewerkt. Veelal zijn afspraken niet formeel vastgelegd, noch kennen de meeste samenwerkingsverbanden een formele grondslag.’

Dat laatste is een van de aardige bevindingen: dat tijdelijke samenwerking vaak niet eenmalig is. Het is niet zo vreemd. Stel dat jij en ik samen kennis moeten ontwikkelen en ik weet dat ik jou daarna nooit meer zal zien. Nou, de kans dat ik je belazer, is dan aanmerkelijk groter dan bij regelmatige tijdelijke samenwerking.

Wat wij bij dit onderzoek vinden, blijft verrassen. Je kunt niet zeggen: een tijdelijke organisatie is een tijdelijke organisatie, nee, er bestaat een palet aan vormen van tijdelijke organisaties.”

Bronnen:

De Kok, J.M.P., A. Ruis en L.A.G Oerlemans (2008), Tijdelijke samenwerkingsverbanden in het Nederlandse MKB, EIM publieksrapportage A200814.

Brummelkamp, G.W. (2008), Succes met samenwerking; een eerste beschouwing van het succes van tijdelijke samenwerkingsverbanden, EIM publieksrapportage A200815.

Hedda Maria Post is redacteur van Basis.

Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,130,500,0,html