Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Sinds de jaren ’90 zijn in het voortgezet onderwijs veel grote scholengemeenschappen ontstaan. Een deel van de ouders en docenten vindt dit een slechte ontwikkeling, scholen zouden terug moeten naar een ‘menselijke’ maat. Hoe leerlingen tegen schoolgrootte aankijken, was tot nu toe onbekend.
Door drs. J.M Bokdam*
De discussie over de ‘menselijke maat’ van scholen wordt zelden gevoerd op basis van feiten. Ook het perspectief van leerlingen ontbrak tot nu, terwijl zij toch als eersten de effecten van schoolgrootte zouden moeten ervaren. Zien leerlingen effecten van schaalvergroting op het schoolklimaat, op het contact met docenten of op de kwaliteit van het onderwijs? Research voor Beleid onderzocht het in opdracht van scholierenorganisatie LAKS, een vereniging van, voor en door scholieren uit het middelbaar onderwijs.

Perspectief van de leerling
Er is een verschil tussen het begrip school zoals leerlingen dat dagelijks gebruiken en het begrip school zoals beleidsmakers dat hanteren. Politieke discussies gaan meestal over scholen als instellingen, omdat die het aangrijpingspunt vormen voor beleid en bekostiging. Ook wordt in de discussies over schaalgrootte vaak gewezen op de nadelige effecten van fusies van schoolbesturen.
In het LAKS-onderzoek stond het perspectief van de leerling centraal. Wanneer leerlingen praten over hun school of over de grootte van hun school, dan hebben ze het over hun schoollocatie of vestiging. Bestuurlijke grootte of instellingsgrootte is voor leerlingen niet van belang.
De meeste leerlingen zijn tevreden over de grootte van hun school. Leerlingen kijken vooral naar het gebouw, het aantal leerlingen en de combinatie van die twee om de grootte van een school te bepalen. Voor leerlingen is een grote school allereerst een groot schoolgebouw. Opvallend, want het aspect van grote gebouwen wordt in onderzoeken en discussies tot nu toe zelden genoemd. Voor leerlingen is de combinatie van de omvang van het gebouw, de overzichtelijkheid en het aantal leerlingen direct merkbaar. Hoe druk en overzichtelijk is het op de gangen en in de pauze, hoe vol is de kantine?
Vanuit dit leerlingperspectief is er de afgelopen jaren weinig veranderd. In 2009 telde het Nederlandse voorgezet onderwijs 1289 vestigingen, 660 scholen en 358 besturen. De kleinste vestiging telt negen leerlingen, de grootste 2992 leerlingen. Met een kleine miljoen middelbare scholieren komt de gemiddelde vestigingsgrootte op 730. Tien jaar geleden was dat nog 630.
De afgelopen twintig jaar zijn door de stimulering van (bestuurlijke) fusies en het verhogen van opheffingsnormen veel kleinere scholen opgegaan in grotere scholengemeenschappen. Wat voorheen een zelfstandige school was, is nu een vestiging geworden. In 1999 waren er nog 888 scholen, dat zijn er tien jaar later 660. Ook het aantal besturen in het voortgezet onderwijs is tussen 1987 en 2006 sterk gedaald: van 1244 tot 360.
Deelscholen
In de praktijk is een deel van de vestigingen opgedeeld in kleinere eenheden of afdelingen. Ook werken veel scholen met afdelingen of docententeams voor bepaalde klassen, die soms in eigen delen van het schoolgebouw zitten.
In de enquête geeft iets meer dan de helft van de leerlingen aan dat zijn of haar locatie zo is opgedeeld in deelscholen, dat het als een fysieke opdeling ervaren wordt.
“Een unit bestaat uit klassen van verschillende jaren. Op deze manier wordt geprobeerd de schaal te verkleinen. Je kunt elkaar beter leren kennen. De units organiseren ook feesten en schoolreisjes en dergelijke.”
“Op die grotere scholen zit je in verschillende gebouwen. Wij zitten nog wel met zijn allen in hetzelfde gebouw, al hebben wij nu ook een aparte vmbo-vleugel. Je hoeft dus nu niet meer zo ver te lopen.”
Zijn kleine scholen beter?
In 2003 heeft de Onderwijsinspectie – naar aanleiding van Kamervragen over de effecten van schaalvergroting – de relatie tussen schoolgrootte en kwaliteit in het VO onderzocht. Daarbij is gekeken naar de verschillen tussen kleine, middelgrote en grote scholen wat betreft opbrengsten, didactiek, pedagogiek, schoolklimaat, leerlingbegeleiding en kwaliteitszorg. De algemene conclusie van dat onderzoek was dat er geen eenduidig verband bestaat tussen de grootte van de school en de onderwijskwaliteit.
Ook ander onderzoek laat zien dat er geen eenduidige effecten zijn van schaalgrootte op het schoolwelbevinden van leerlingen, de relaties tussen leerlingen onderling en de relaties tussen leerlingen en docenten.
Ondanks deze onderzoeksresultaten stelt het Ministerie van OCW in een brief, getiteld “de menselijke maat in het onderwijs”, dat het belangrijk is dat leerlingen gezien en gehoord worden, dat leerlingen veilig zijn en dat leerlingen invloed kunnen uitoefenen op het schoolbeleid. Zonder het expliciet te maken, geeft het ministerie aan dat dit beter op kleine scholen zou kunnen gebeuren. Een fusietoets is het gevolg.
Negatieve of positieve effecten?
Het was nog steeds niet duidelijk hoe leerlingen zelf oordelen. Terwijl leerlingen samen met leraren de eersten zijn die mogelijk negatieve of positieve effecten van schaalgrootte merken. Het LAKS krijgt weinig tot geen vragen of klachten van leerlingen over de grootte van de school. Is het hun nooit gevraagd of zijn ze zich er niet van bewust? Zijn er wellich tussenliggende verklarende variabelen die wel belangrijk zijn voor leerlingen? En zijn er verschillen tussen leerlingen onderling?
Om deze kwalitatieve vragen in kaart te brengen en onderscheid te kunnen maken tussen verschillende groepen leerlingen, hebben we negen groepsgesprekken op vijf zeer verschillende scholen gehouden. Aanvullend zijn in een kwantitatief panelonderzoek de belangrijkste conclusies getest.
Voordelen en nadelen
In de groepsgesprekken geven leerlingen aan dat ze op grote scholen meer diversiteit, betere faciliteiten en leukere buitenschoolse activiteiten verwachten. Leerlingen verwachten daartegenover dat kleine scholen overzichtelijker en veiliger zijn en dat het contact tussen leerlingen onderling en het contact met leraren er beter is.
Geen van de leerlingen in de groepsgesprekken noemde het aspect ‘betere schoolresultaten’ of effecten rondom beter of meer leren. Dat is opvallend, omdat een deel van de discussie en eerder onderzoek daar wel op was gericht.
Leerlingen zien dus voor- en nadelen aan kleine en grote scholen. Het maakt daarbij niet zoveel uit of ze zelf op een grote of kleine school zitten. Als er al verschillen waren in de groepsgesprekken, dan liggen die tussen onderbouw en bovenbouw. Onderbouwleerlingen zien nauwelijks tot geen voordelen van een grote school. Bovenbouwers zien vaker wèl de voordelen van een grote school. De belangrijkste redenen daarvoor zijn dat een grotere school beter voorbereidt op het latere leven aan een ROC, universiteit of hogeschool. En een grote school kent volgens oudere leerlingen meer diversiteit en afwisseling aan leerlingen en docenten.
Voor een deel van de leerlingen op kleine scholen speelde de omvang van de vestiging een hoofdrol in hun schoolkeuze. Niemand had na de basisschool bewust voor een grote school gekozen.
Testen van de opvattingen
De verwachtingen die de leerlingen in de groepsgesprekken uitspraken, hebben we vervolgens getest in een internetenquête. In een representatieve steekproef onder 800 vmbo-, havo- en vwo-scholieren zijn de oordelen van leerlingen over hun school (als schoollocatie) op vijf betrouwbare schalen bekeken voor de achtergrondvariabelen schoolgrootte, onderbouw-bovenbouw en schooltype.
Uit de analyse van gevonden verschillen blijkt dat de schoolgrootte een rol speelt in hoe overzichtelijk leerlingen hun school vinden en in de kwaliteit van hun contact met leraren. Ook als we de invloed van leerjaar of schooltype meenemen, vindt men het contact met leraren en de overzichtelijkheid van vestigingen met meer dan duizend leerlingen beduidend slechter dan op kleinere scholen.
Het verband dat de leerlingen in de groepsgesprekken zagen tussen een goed contact met medeleerlingen en een kleine school, blijkt niet op te gaan. Leerlingen op grote en kleine scholen zijn in de praktijk even tevreden over het contact met hun medeleerlingen. Dat contact met medeleerlingen wordt door onderbouwers wel als beter beoordeeld dan door bovenbouwleerlingen. De leerlingen van havo/vwo vinden hun contact met medeleerlingen vaak beter dan dat de leerlingen van het vmbo dat vinden.
Leerlingen op grote scholen blijken – anders dan de leerlingen in de groepsgesprekken verwachtten – in vergelijking met leerlingen van kleine scholen niet tevredener te zijn over de (buitenschoolse) activiteiten op hun school of over de begeleiding en ondersteuning die ze krijgen.
Extra aandacht
Als leerlingen het hebben over hun school of over de grootte van hun school, dan hebben ze het over hun schoollocatie of vestiging. Het niveau van de school als instelling of bestuurlijke grootte is bijna niet relevant voor leerlingen. Het gemiddeld aantal leerlingen per vestiging is de afgelopen tien jaar slechts licht toegenomen. De meeste leerlingen zijn ook tevreden over de grootte van hun school.
Het contact met docenten en de overzichtelijkheid wordt significant slechter beoordeeld op een vestiging met meer dan duizend leerlingen. En drie van de tien scholen heeft meer dan duizend leerlingen. De door leerlingen in de groepsgesprekken genoemde kwaliteitsaspecten bieden samen een checklist van wat leerlingen belangrijk vinden aan elke school. Alle scholen moeten proberen deze tien punten zo goed mogelijk te verzorgen. Een grote school heeft als extra aandachtspunt het stimuleren van een warm en goed contact tussen leerlingen onderling en leerlingen en docenten. Een kleine school zou extra aandacht moeten geven aan goede faciliteiten, activiteiten en de oriëntatie op latere doorstroom.
Tien aspecten van schoolwelbevinden waar leerlingen een relatie met schaalgrootte zien:
- Overzichtelijkheid
- Contact met medeleerling
- Contact met docenten
- Sociale veiligheid
- Activiteiten
- Begeleiding en ondersteuning
- Lesuitval
- Afwisseling
- Faciliteiten
- Mogelijkheden voor doorstroming
Bronnen:
- Johan Bokdam en Bram van der Linden (2010) Schoolgrootte uit leerlingperspectief.
- Ria Bronneman-Helmers (2008)
- 15 jaar onderwijsvernieuwingen in Nederland, Deelonderzoek SCP voor het parlementair onderzoek onderwijsvernieuwingen.
- Inspectie van het Onderwijs (2003) ‘Schoolgrootte’ en kwaliteit, groot in kleinschaligheid, Utrecht, april 2003.
- Onderwijsraad (2008) De bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs.
*Johan Bokdam is senior onderzoeker bij Research voor Beleid.
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,131,514,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2012