Redactieadres:
Panteia B.V.
Postbus 7001
2701 AA Zoetermeer
T: 079 - 322 22 00
F: 079 - 343 01 01
Het bedrijfsleven maakt een verschuiving door van een gesloten manier van innoveren naar open innoveren. Dit vraagt om een andere insteek voor het beleid. We formuleren 21 richtlijnen voor open innovatiebeleid.
Door drs. P. Gibcus*
Thomas Edison wordt niet alleen als de uitvinder van de elektrische verlichting beschouwd, maar ook van het moderne R&D-laboratorium. Traditioneel vonden innovaties plaats binnen de muren van het eigen bedrijf en waren bedrijven bij innovatie vooral intern gericht. Bedrijven wilden zelf de totale controle over het innovatieproces houden: ze genereerden zelf ideeën, voerden zelf het proces van productontwikkeling uit en vermarkten zelf ook de producten. Berucht is het NatLab van Philips, waar knappe koppen uit de hele wereld baanbrekend onderzoek verrichtten, maar waar helaas lang niet altijd de vruchten werden geplukt.
Van gesloten naar open innovatie
Lange tijd konden bedrijven met een dergelijk gesloten aanpak prima concurreren. Er zijn echter diverse trends die ertoe hebben geleid dat het concept van gesloten innovatie steeds moeilijker is vol te houden. In de eerste plaats is de mobiliteit van hoog opgeleide en ervaren medewerkers toegenomen. Als deze kenniswerkers het bedrijf na jaren verlaten, nemen ze veel kennis mee naar hun nieuwe werkgever. Hiermee hangt samen dat werknemers vandaag de dag meer opleiding hebben genoten en meer bijscholing krijgen, waardoor het mogelijk is dat er meer kennis aan andere partijen beschikbaar komt dan voorheen. Ook is er sprake van een toenemend aanbod aan durfkapitaal, een kortere levenscyclus van producten, toenemende concurrentie door de globalisering en de beschikbaarheid van kennis uit meerdere bronnen.
Als gevolg van dergelijke trends en ontwikkelingen is de vorm waarin (grote) bedrijven innovatie organiseren in de afgelopen decennia sterk veranderd. De tijd dat bedrijven de deuren van hun laboratoria gesloten konden houden zijn voorbij en er heeft een verschuiving plaatsgevonden van gesloten naar open innovatie. De kern van open innovatie is dat bedrijven beter gebruik maken van beschikbare kennis. In het open innovatiemodel kunnen bedrijven nog steeds innovaties binnen hun eigen muren initiëren, maar ze kunnen ook alternatieve wegen bewandelen om ideeën naar de markt te brengen en daarbij profiteren van externe kennis.
Gedrag en externe omstandigheden
Open innovatie brengt met zich mee, dat bedrijven zich op een bepaalde manier gedragen. Gedragskenmerken van bedrijven die open innoveren zijn: (gebruik van) netwerken, samenwerken, corporate entrepreneurship, management van intellectueel eigendom en R&D. Inschakeling van netwerken en samenwerken zijn nodig omdat bedrijven lang niet alle kennis die nodig is voor innovatie in eigen huis hebben. Netwerken en samenwerking bieden hiervoor in toenemende mate uitkomst. Netwerken stellen bedrijven snel in staat om hun specifieke kennisbehoefte in te vullen. Daarnaast vormen ze een bron voor nieuwe zakenpartners die helpen om interne kennis te commercialiseren. Samenwerken gaat nog een stap verder en is formeler en systematischer.
Via Corporate entrepreneurship kunnen bedrijven profiteren van doelgerichte instroom en uitstroom van kennis door middel van gezamenlijke ondernemerschapsactiviteiten, met inbegrip van intern ondernemerschap, externe deelnemingen en de oprichting van spin-offs. Intellectueel eigendom kan worden verkregen door het aanvragen van octrooien, merkenrecht of copyrights. Echter, niet het bezit van intellectueel eigendom is van belang (in traditionele opvattingen ziet men octrooien bijvoorbeeld als middel om concurrentie te weren teneinde van kennis te profiteren), maar juist de benutting hiervan op de markt. Bedrijven kunnen extern het intellectueel eigendom verwerven om eigen onderzoek in gang te zetten en winst behalen uit hun eigen niet-gebruikte intellectueel eigendom door licenties te verlenen of octrooien geheel te verkopen. Tenslotte kan (net als bij gesloten innovatie) ook R&D bij open innovatie nog steeds een bron zijn voor betere prestaties. Ook is R&D nodig om absorptievermogen te creëren en te behouden voor het putten van informatie uit externe bronnen. Hierbij staat R&D echter niet langer op zichzelf.
Behalve aan hun gedrag stelt open innovatie ook andere eisen aan de externe omgeving waarin bedrijven opereren. Bedrijven worden aangespoord tot meer open innovaties naarmate de externe omgeving in de eerste plaats meer gekenmerkt wordt door een maatschappelijk kennisreservoir. Bedrijven zullen steeds vaker buiten de organisatie kijken naar kennis, waardoor ze zich zullen onthouden van investeringen in fundamenteel onderzoek. Een belangrijke voorwaarde voor open innovatie is dan ook dat een grote voorraad fundamentele (onderzoeks)kennis op laagdrempelige wijze toegankelijk is. In de tweede plaats kenmerkt de externe omgeving zich door de aanwezigheid van voldoende hoog opgeleide en mobiele arbeidskrachten. Beide leiden tot een toename van kennisspillovers tussen organisaties. Verder leidt een betere kwaliteit van opleidingen tot een hoger absorptievermogen en een hogere capaciteit tot samenwerking. In de derde en laatste plaats kenmerkt de externe omgeving zich door een goede toegang tot financiering. Vooral kleine, uitdagende bedrijven hebben behoefte aan externe financiering om hun innovatieve ideeën te realiseren.
Aangrijpingspunten en richtlijnen voor beleid
De veranderingen in de manier waarop bedrijven innovatie vormgeven – van gesloten naar open innovatie – heeft ook gevolgen voor de manier waarop beleidsmakers innovatie kunnen of willen stimuleren. Zulk beleid is beslist breder dan alleen stimulering van R&D of externe samenwerking! Open innovatiebeleid moet aangrijpen op het gedrag van innoverende bedrijven en/of de externe omstandigheden die bedrijven motiveren om op open wijze te innoveren. Hiervan uitgaande kunnen zeven beleidsterreinen worden geïdentificeerd, die een directe invloed hebben op de bovengenoemde aangrijpingspunten. Gecombineerd leidt dit tot het onderstaande beleidskader voor open innovatiebeleid.
Op basis van dit kader hebben we 21 richtlijnen geïdentificeerd die we hieronder kort bespreken.
Ontwikkeling R&D
1 Financiële prikkels: Financiële prikkels zoals belastingvoordelen of subsidies blijven belangrijk. Zij verhogen de R&D-inspanningen en het absorptievermogen van bedrijven.
2 Hoge kwaliteit intellectueel eigendom: Hoogwaardige systemen voor intellectueel eigendom zorgen er voor dat bedrijven toch kunnen blijven investeren in fundamenteel onderzoek.
3 Ondersteuning voor standaarden: Open innovatie belemmert het proces van standaardisatie, waardoor er meer behoefte is aan overheidssteun.
4 Ondersteuning van gebruikersinnovatie: Gebruikers zijn een verborgen groep van uit R&D-uitvoerders. Zij ontwikkelen innovaties naar eigen behoefte hetgeen kan leiden tot aanzienlijke kennisspillovers.
Interactiebeleid
5 Ontwikkelen van vaardigheden: Overheden kunnen bedrijven ondersteunen bij het netwerken, samenwerken, corporate entrepreneurship en het management van intellectueel eigendom door het aanreiken van informatie, best practices en consultancydiensten.
6 Stimuleren van samenwerking: Het beleid zou het zelf organiseren van samenwerking moeten stimuleren in plaats van hier richtlijnen voor te geven.
7 Verbeteren technologiemarkten: Beleid is nodig om de juiste randvoorwaarden te creëren voor technologiemarkten en vraag en aanbod in kaart te brengen.
8 Gebruik tussenpersonen: Tussenpersonen of intermediairs kunnen fungeren als matchmakers, het samenbrengen van diverse partijen voor kennisuitwisseling of geven van feedback.
9 Back up clusters: Overheden kunnen een back up aanbieden van opkomende clusters om netwerken en samenwerken te ondersteunen middels ontwikkelingsprogramma’s.
Ondernemerschapsbeleid
10 Ondersteunen van corporate entrepreneurship: Een klein deel van de bedrijven doet aan corporate entrepreneurship. Beleidsmakers kunnen intern ondernemerschap en het creëren van spin-offs uitlokken en ondersteunen.
11 Toegang tot financiering: Beleidsmakers kunnen een variëteit aan maatregelen uitzetten om de toegang tot financiering te garanderen, inclusief subsidies en garanties, maar ze kunnen ook gericht zijn op private investeerders.
12 Verbeteren toegang en overleving van starters: Beleidsmakers zouden de toegang en het voortbestaan van nieuwe bedrijven moeten verbeteren, met name voor hightech starters. Vitaliteit van deze bedrijven zorgt voor meer dynamiek in de economie en triggert bestaande bedrijven om ook innovatief te zijn.
Wetenschapsbeleid
13 Passende financiering: Het beleid zou moeten zorgen voor voldoende publieke financiering van wetenschappelijk ontdekkingen om de kennisvoorraad te behouden.
14 Evenwichtige prikkels: Beleidsmakers zouden zich bezighouden met hoe publiek gefinancierde onderzoekers worden geëvalueerd en beloond. Ze worden momenteel vooral beoordeeld op hun wetenschappelijke prestaties waardoor de valorisatie in het gedrang komt.
15 Focus op excellentie: Overheden hebben excellentiecriteria nodig, voor zowel wetenschappelijke prestaties als valorisatie, om de financiering van wetenschappelijk onderzoek toe te kennen.
16 Georganiseerde verspreiding van kennis: Veel landen hebben problemen met valorisatie. Dergelijke onevenwichtigheden kunnen worden aangepakt met publiek-private partnerschappen of door de inzet van intermediairs.
Onderwijsbeleid
17 Algemene stimulatie: Het krijgen en behouden van een gekwalificeerde beroepsbevolking vereist dat de overheid onderwijs van een hoog niveau aanbiedt en implementeert.
18 Ondernemerschapsonderwijs: Meer en beter ondernemerschap kan worden bereikt door het geven van gericht onderwijs op dit terrein, bijvoorbeeld door het lesgeven in ondernemende competenties.
Arbeidsmarktbeleid
19 Streven naar flexibiliteit: Met het oog op het creëren van geschoolde arbeidskrachten zou beleid de mobiliteit van werknemers moeten worden vergemakkelijkt.
20 Kennismigratie toelaten: Een andere mogelijkheid is om te profiteren van buitenlandse kenniswerkers. Kennismigratie is geen sociale bedreiging, maar eerder een kans om de kwaliteit van de beroepsbevolking te verbeteren.
Mededingingsbeleid
21 Stimuleren van concurrentie: Beleidsmakers zouden belemmeringen rond de toetreding tot markten moeten wegnemen, de strijd aangaan tegen kartels en voorgenomen fusies grondig analyseren.
We willen benadrukken dat deze richtlijnen nog voortdurend in ontwikkeling zijn, omdat de kennis over open innovatie toeneemt. De richtlijnen gooien het huidige innovatiebeleid niet geheel overhoop, maar laten wel zien dat het beleidsveld voor open innovatie breed is en meer vraagt dan alleen financiële instrumenten. Uitdagingen liggen in het ondersteunen van gebruikersinnovatie, verbeteren van technologiemarkten, het ondersteunen van corporate entrepreneurship bij bestaande bedrijven, evenwichtige (loopbaan- en werk-)prikkels voor wetenschappelijke onderzoekers en standaardisatieprocessen.
Deze bijdrage is gebaseerd op een internationaal vergelijkende studie naar beleid voor open innovatie, waarin EIM een leidende rol heeft gespeeld. Het volledige rapport is te vinden op www.openinnovation.eu/download/OIPAFfinalreport.pdf.
*Petra Gibcus is senior onderzoeker bij EIM.
Location http://www.basis-online.nl/index.cfm/1,133,523,0,html
Copyright © Panteia B.V. 2012